Uitspraak
wonende te [woonplaats] , Bondsrepubliek Duitsland,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [woonplaats] , Bondsrepubliek Duitsland,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft de vraag of een zieke werknemer zijn op grond van artikel 7:660a BW berustende re-integratieverplichtingen mag opschorten wanneer de werkgever het loon over een reeds verstreken periode niet heeft betaald. De werknemer, werkzaam als tandartsassistente, was sinds maart 2012 arbeidsongeschikt door een polsblessure en ontving vanaf mei 2012 geen loon meer. Ondanks oproepen om te re-integreren, verscheen zij niet op het werk, stellende dat zij haar re-integratieverplichtingen opschortte vanwege het niet ontvangen loon.
De kantonrechter en het hof verwierpen het opschortingsrecht van de werknemer, stellende dat de verplichtingen niet tegenover elkaar staan in de zin van artikel 6:262 lid 1 BW Pro en dat er onvoldoende samenhang is volgens artikel 6:52 lid 1 BW Pro. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever en de re-integratieverplichtingen van de werknemer wel degelijk tegenover elkaar staan en dat er voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen.
De Hoge Raad benadrukt dat het opschorten van re-integratieverplichtingen gerechtvaardigd is indien de werkgever niet voldoet aan zijn loondoorbetalingsplicht, ook als het loon over reeds verstreken perioden niet is betaald. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Tevens worden de verweerders veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en oordeelt dat de werknemer haar re-integratieverplichtingen mag opschorten bij niet-nakoming van loondoorbetaling over reeds verstreken perioden.