ECLI:NL:GHSHE:2023:2697

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 augustus 2023
Publicatiedatum
23 augustus 2023
Zaaknummer
22/00353 tot en met 22/00355
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 Wet op de dividendbelasting 1965Art. 11a lid 1 Wet op de dividendbelasting 1965Art. 10 lid 1 letter d Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 2 lid 1 letter f Wet Vpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen inzake teruggaaf dividendbelasting beleggingsfonds 2012-2014

Belanghebbende, een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014. De inspecteur wees dit verzoek af, waarna belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het gerechtshof.

Het geschil betrof de vraag of belanghebbende recht had op teruggaaf van dividendbelasting. Volgens de wet moet de dividendbelasting zijn ingehouden ten laste van de verzoeker als gerechtigde tot de opbrengst. Belanghebbende moest aannemelijk maken dat het fonds naar Nederlandse maatstaven als een niet-transparant lichaam moest worden gekwalificeerd en dat de participatiebewijzen vrij verhandelbaar waren.

Belanghebbende heeft echter geen fondsvoorwaarden of andere relevante informatie overgelegd, ondanks herhaalde verzoeken en waarschuwingen. Hierdoor kon het hof niet vaststellen dat belanghebbende als zelfstandig subject voor Nederlandse fiscale doeleinden moet worden aangemerkt, wat een vereiste is voor teruggaaf. Het beroep op artikel 11a Wet DB faalde daarom.

Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot teruggaaf af. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige belastingkamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 23 augustus 2023.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot teruggaaf van dividendbelasting wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 22/00353 tot en met 22/00355
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 januari 2022, nummers BRE 17/4431 tot en met 17/4433, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft voor de (boek)jaren 2012 tot en met 2014 een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting ingediend.
1.2.
De inspecteur heeft het in 1.1 bedoelde verzoek afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur is niet tegemoetgekomen aan de bezwaren tegen de afwijzingen.
1.4.
Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds.
2.2.
Belanghebbende heeft geen vaste inrichting in Nederland voor de vennootschapsbelasting. Belanghebbende is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting.
3.2.
Belanghebbende concludeert voor alle boekjaren tot teruggaaf van dividendbelasting. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Artikel 1, lid 1, Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB) bepaalt ten laste van wie de dividendbelasting wordt geheven. Dat is degene die – rechtstreeks of door middel van certificaten – gerechtigd is tot de opbrengst van aandelen in, winstbewijzen van en deelnemerschapsleningen (dat wil zeggen leningen in de zin van artikel 10, lid 1, letter d, Wet op de vennootschapsbelasting 1969) aan in Nederland gevestigde vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal.
4.2.
Met de woorden “ten laste van hem ingehouden dividendbelasting” in de zin van artikel 11a, lid 1, Wet DB, is tot uitdrukking gebracht dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als gerechtigde tot de opbrengst in de zin van artikel 1, lid 1, Wet DB. Betwist de inspecteur, zoals in dit geval, dat belanghebbende aan de voorwaarden voor teruggaaf van dividendbelasting voldoet, dan rust op belanghebbende de last om feiten te stellen, en bij betwisting daarvan door de inspecteur, aannemelijk te maken, die meebrengen dat zij wel aan die voorwaarden voldoet. [1] Onduidelijkheid daarover en bewijsnood komen daarom voor belanghebbendes rekening. [2]
4.3.
Om in aanmerking te kunnen komen voor teruggaaf, moet belanghebbende worden aangemerkt als een zelfstandig subject voor Nederlandse fiscale doeleinden. Belanghebbende zou in Nederland in de heffing worden betrokken wanneer zij voor gemene rekening belegt [3] én wanneer de bewijzen van deelgerechtigdheid in belanghebbende vrij verhandelbaar zijn, ofwel wanneer sprake is van een open fonds voor gemene rekening. [4]
4.4.
Belanghebbende stelt, kort samengevat, met een beroep op het Unierecht, dat het recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting omdat het vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi). De inspecteur stelt dat belanghebbende geen fondsvoorwaarden heeft overgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld of belanghebbende mogelijk als een transparant fonds moet worden aangemerkt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2020 [5] en ook niet kan worden vastgesteld of de participatiebewijzen in belanghebbende vrij verhandelbaar zijn.
4.5.
Het hof overweegt als volgt. Belanghebbende heeft geen fondsvoorwaarden overgelegd of andere informatie waaruit de aard van het fonds en de voorwaarden waaronder participatiebewijzen worden verhandeld blijken. Hoewel belanghebbende is gewezen op het ontbreken van deze stukken en de eventuele gevolgen die daaraan verbonden zijn, heeft belanghebbende die stukken niet overgelegd of is anderszins inhoudelijk ingegaan op dit standpunt van de inspecteur.
4.6.
Belanghebbende heeft niet de feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat het naar Nederlandse maatstaven moet worden gekwalificeerd als een niet-transparant lichaam. [6] Gelet daarop faalt belanghebbendes beroep op artikel 11a Wet DB. Het hof kan immers, gelet op het hiervoor overwogene, niet vaststellen dat belanghebbende als een zelfstandig subject voor Nederlandse fiscale doeleinden moet worden aangemerkt, wat voor de toepassing van artikel 11a Wet DB is vereist. Het verzoek is dus terecht afgewezen, reeds omdat niet kan worden vastgesteld dat de dividendbelasting is ingehouden ten laste van belanghebbende.
Tussenconclusie
4.7.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.8.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.9.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P. Fortuin en A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2023 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De griffier, De voorzitter,
N.A. de Grave T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vergelijk Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1610, r.o. 2.4.2.
2.Conclusie A-G Wattel 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:79, ov. 7.2.
3.Artikel 2, lid 1, letter f, Wet Vpb.
4.Artikel 2, lid 3, Wet Vpb (wettekst 2016).
6.Vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:376 in samenhang bezien met Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:582.