Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties 7 t/m 9, ingekomen ter griffie op 6 december 2022;
- het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met producties 48 t/m 50, 52 en 53, ingekomen ter griffie op 2 maart 2023;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met productie 10, ingekomen ter griffie op 30 maart 2023;
- een e-mail van [de werknemer] met productie 51, ingekomen ter griffie op 11 april 2023;
3.De beoordeling
1. We transfer your employment contract to [onderneming] GmbH;
- een transitievergoeding van € 15.650,49 bruto;
- een vergoeding voor (advocaat)kosten van € 25.410,00 inclusief btw;
Al hetgeen meer of anders is verzocht is afgewezen.
- de toekenning van de billijke vergoeding van € 131.203,87 bruto; en
- de vergoeding voor (advocaat)kosten van € 25.410,00 inclusief btw;
en opnieuw rechtdoende, samengevat, verzocht om:
- de 50% billijkheidsopslag bovenop de billijke vergoeding; en
- de resterende 30% van de gemaakte juridische kosten, zijnde € 10.890,00 inclusief btw;
en, samengevat en na voorwaardelijke wijziging van zijn verzoek, verzocht om [de werkgever] alsnog te veroordelen tot betaling aan hem van:
- een opslag van 50% over de billijke vergoeding;
- de additionele 30% juridische kosten in eerste aanleg en de integraal gemaakte juridische kosten en tolkkosten in hoger beroep, primair als onderdeel van de billijke vergoeding en subsidiair als vergoeding op grond van art. 7:611 BW Pro en, voor zover dit wordt afgewezen,:
in eerste aanleg € 36.300,00 inclusief btw en € 564,70 inclusief btw aan tolkkosten en
in hoger beroep € 7.000,00 inclusief btw en € 423,50 inclusief btw aan tolkkosten,
althans om een in redelijkheid te bepalen hoger liquidatietarief aan [de werknemer] toe te kennen; en
- [de werkgever] te veroordelen tot betaling aan hem van het openstaande saldo vakantie-uren van 689,35 of een naar redelijkheid te bepalen aantal, waarbij uitbetaling dient plaats te vinden binnen een maand na deze uitspraak van het hof.
- de billijke vergoeding (de grieven I tot en met III van [de werkgever] in principaal hoger beroep en de grieven I en II van [de werknemer] in incidenteel hoger beroep);
- € 76.945,39 bruto aan misgelopen loon;
- € 4.258,48 wegens misgelopen pensioenaanspraken; en
- € 50.000,00 als immateriële schadevergoeding;
heeft na de afwijzing van de ontslagaanvraag door het UWV in augustus 2021, waarna [de werkgever] geen ontbinding heeft verzocht op grond van art. 7:669 lid 3 sub a BW Pro, aanspraak gemaakt op een terugkeer naar het werk en verzocht om de situatie te bespreken, maar [de werkgever] heeft de situatie laten escaleren door op geen enkele wijze te streven naar wedertewerkstelling. [de werkgever] heeft tijdens de zitting in hoger beroep toegelicht dat de loonkosten in het begin intern werden ‘door geboekt’ en uiteindelijk van de loonlijst van [de werkgever] af moesten en bij [onderneming] erbij moesten. Niet gebleken is dat [de werkgever] bereid was om met [de werknemer] de mogelijkheid te bespreken om de arbeidsovereenkomst in Nederland voort te zetten, al dan niet tijdelijk of als detachering naar Duitsland, zoals [de werknemer] in oktober 2021 zelf had voorgesteld. Dit had in de gegeven omstandigheden wel op haar weg gelegen. Volgens [de werkgever] hadden de toenmalige CMO en [de werknemer] ‘zwaardere functies’, die niet meer nodig waren, en is in plaats daarvan in oktober 2021 een ‘interne merk manager’ aangenomen, die zich vooral bezighield met sociale media, en is medio juni 2022 een ‘PR- en communicatiemanager’ aangetrokken voor de naamsbekendheid van [de werkgever]. Hoewel dit volgens [de werkgever] ging om functies met meer praktische werkzaamheden tegen een lager salaris, is niet uit te sluiten dat [de werknemer] deze werkzaamheden tijdelijk had kunnen verrichten, naast zijn eigen werk dat in Nederland overbleef. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft [de werknemer] toegelicht dat hij destijds 90% voor [onderneming] werkte, dat het PR- en communicatiewerk ook een deel was van zijn werkzaamheden en dat hij ook berichten op sociale media plaatste. In plaats van overeenkomstig het voorstel van [de werknemer] om in overleg met hem te treden (prod. 17 bij verweerschrift in eerste aanleg) heeft [de werkgever] [de werknemer] in november 2021 een brief met verwijten over zijn functioneren gestuurd, terwijl niet gebleken is dat zijn functioneren voor die tijd ter discussie stond, en is een voorstel gedaan tot beëindiging van het dienstverband. Volgens [de werknemer] heeft hij in december 2021 nog wel een gesprek gehad met [de werkgever] en zou zijn terugkeer worden besproken, maar werd hem in januari 2022 opnieuw medegedeeld dat hij niet meer nodig was en uiteindelijk is een ontbindingsverzoek ingediend. Als gevolg van al het voorgaande is een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding ontstaan. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond is het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van [de werkgever]. [de werknemer] maakt daarom terecht aanspraak op een billijke vergoeding.