Belanghebbende, woonachtig in Portugal, ontving een Nederlandse aanslag inkomstenbelasting (IB) over 2016, welke hij betwistte. Hij stelde dat de Portugese aanslag onjuist was en dat hij recht had op aanvullende aftrekposten en heffingskortingen in Nederland. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd.
In hoger beroep bevestigde het hof de juistheid van de Portugese aanslag en oordeelde dat belanghebbende daardoor geen recht heeft op aanvullende aftrekposten in Nederland. Tevens werd geoordeeld dat hij geen recht heeft op de algemene heffingskorting en ouderenkorting, aangezien deze kwalificeren als aftrekposten in verband met de persoonlijke en gezinssituatie.
Het hof wees verzoeken om uitstel of aanhouding af, omdat de Portugese aanslag niet onjuist was bevonden. Tevens werd opgemerkt dat belanghebbende een verzoek tot herziening kan indienen als de Portugese aanslag alsnog wordt herzien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Ten aanzien van griffierecht en proceskosten oordeelde het hof dat geen vergoeding of veroordeling in proceskosten plaatsvindt. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 16 maart 2022.