Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
[appellante],
5.Het geding in hoger beroep
- het proces-verbaal van de op 3 maart 2020 gehouden mondelinge behandeling;
- de memorie van grieven met producties van [appellant] , tevens houdende akte afstand van instantie van [appellante] ;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties, tevens antwoordakte in principaal hoger beroep;
- de akte uitlaten producties van Dexia;
- de antwoordakte van [appellanten] ;
- de schriftelijke toelichting/het schriftelijk pleidooi van Dexia, met productie;
- de schriftelijke toelichting/het schriftelijk pleidooi van [appellanten]
6.De beoordeling
- [appellanten] niet te waarschuwen voor het risico van een restschuld,
"Inzake [appellant] (…)".
De stellingen van Dexia over het al dan niet bij [appellant] aanwezige begrip ten aanzien van het restschuldrisico kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De waarschuwingsplicht strekt er immers mede toe om de afnemer, ook al is hij zich op grond van de door Dexia verschafte informatie bewust van de aan de effectenleaseovereenkomst verbonden risico’s, indringend te waarschuwen tegen het lichtvaardig aangaan daarvan (onder meer voornoemd arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009, rov. 4.10.3.).
Anders dan Dexia betoogt leidt het enkele feit dat [appellant] de effectenleaseovereenkomst heeft getekend in combinatie met de vaststelling dat er sprake is van bovengenoemd causaal verband, ook niet tot een vermindering van de verderop in dit arrest behandelde vergoedingsplicht van Dexia.
€ 900,--
€ 3.342,--
7.De uitspraak
- Dexia toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar bijzondere zorgplicht en onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door hem voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten niet indringend te waarschuwen voor het risico dat bij tussentijdse beëindiging van de effectenleaseovereenkomsten een restschuld kon ontstaan, en
- Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] doordat Dexia niet heeft geweigerd de effectenleaseovereenkomsten met hem aan te gaan, terwijl [appellant] als potentiële cliënt bij Dexia was aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn;