Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd. Het hof heeft het hoger beroep van belanghebbende behandeld en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van een hogere waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van de auto vanwege het WOK-stigma en motorschade, en of de belastingrente terecht was opgelegd. Belanghebbende stelde dat het WOK-stigma en motorschade een extra waardevermindering rechtvaardigden, en dat de rentebeschikking onterecht was wegens schending van het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor een hogere waardevermindering dan reeds door de rechtbank vastgesteld. Het betoog dat artikel 8, lid 3, Uitvoeringsregeling BPM strijdig is met Unierecht faalde op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad. Ook de motorschade leidde niet tot een lagere waarde dan reeds vastgesteld. Ten aanzien van de belastingrente stelde het hof dat de rechtbank de juiste overwegingen had gemaakt en dat geen sprake was van onzorgvuldigheid of schending van het vertrouwensbeginsel.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hof wees verdere proceskostenveroordelingen af en zag geen aanleiding het griffierecht te vergoeden.