Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/318254 / HA ZA 17-153)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 16 oktober 2018;
- het herstelexploot van [appellant] van 22 oktober 2018;
- de memorie van grieven van 18 april 2019 met één productie;
- de memorie van antwoord van 30 juli 2019 met drie producties;
- een formulier H16, waarmee [appellant] ter rolle van 28 januari 2021 ten behoeve van het schriftelijk pleidooi 9 producties heeft overgelegd;
- een formulier H16, waarmee het UWW ter rolle van 28 januari 2021 ten behoeve van het schriftelijk pleidooi één productie heeft overgelegd;
- een formulier H16, waarmee [appellant] ter rolle van 10 maart 2021 ten behoeve van het schriftelijk pleidooi twee producties heeft overgelegd
- het schriftelijk pleidooi, waartoe beide partijen ter rolle van 10 maart 2020 pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
- “De werknemer is niet geschikt te achten voor het eigen werk als beveiligingsbeambte bij eigen werkgever. De werknemer is ook niet geschikt te achten voor een specifiek object t.w. [specifiek object] aan de [adres] te [plaats] .
- Het eigen werk is niet passend te maken door voorzieningen of aanpassingen.
- De werknemer is niet geschikt voor ander werk bij de eigen werkgever.
- De werknemer is op dit moment wel geschikt voor passende arbeid op de arbeidsmarkt. Een extern re-integratietraject is in 2012 afgerond, maar was niet succesvol d.w.z. dat het niet geleid heeft tot een plaatsing.”
- bewijslast en bewijsvoering ten aanzien van de vraag in hoeverre nu nog kan worden aangetoond dat het in augustus/september 2013 aannemelijk was dat herstel voor de uitoefening van het eigen of aangepast werk binnen 26 weken niet viel te verwachten;
- het belang, in dit verband, van de bevindingen van de arbeidsdeskundigen [registerarbeidsdeskundige] en [arbeidsdeskundige 5] in relatie tot het advies van [arbeidsdeskundige 4] uit 2013, waaronder ook de vraag of het al dan niet bestaan van formatieruimte bij Intergarde of het aan haar gelieerde beveiligingsbedrijf relevant was/is;
- aard en inhoud van de functies, zoals vermeld onder de reactie van [arbeidsdeskundige 4] van maart 2017 (prod. 14 bij Conclusie van Antwoord), in relatie tot de FML bij het rapport van [verzekeringsarts] , zoals die volgens [arbeidsdeskundige 5] in diens rapport, overgelegd bij memorie van antwoord, onder 2.3.1 is aangehaald;
- nut en noodzaak van een nader (geneeskundig) deskundigenbericht, de daarbij aan de orde te stellen vraagstelling en de persoon van de deskundige;
- de (omvang van) de in geding zijnde belangen van partijen, gegeven de omstandigheid dat ten tijde van de aanvraag voor een ontslagvergunning voor Intergarde geen verplichting meer bestond tot doorbetaling van loon;
- de toepasselijkheid van het leerstuk van het verlies van kans bij de vaststelling van (de omvang van) een schade;
- de mogelijke consequenties van toepassing van dat leerstuk in concreto: de omvang van de kans dat het UWV uiteindelijk de ontslagvergunning zou hebben geweigerd;
- de (globale) omvang van de door [appellant] geleden schade en haar componenten (waaronder, zo begrijpt het hof, ook immateriële schade), waarbij het hof ook stil wil staan bij de arbeidshistorie zoals die zich na het ontslag heeft ontwikkeld;
- de mogelijkheid om de onderhavige zaak met een regeling te beëindigen.