Belanghebbende deed aangifte BPM voor een gebruikte Suzuki Swift met WOK-status, waarbij essentiële gebreken waren vastgesteld. Na herstel van deze gebreken werd een hogere BPM verschuldigd dan aanvankelijk aangegeven. De rechtbank oordeelde in het voordeel van belanghebbende en bepaalde een teruggave van € 354.
De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het Hof onderzocht of artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM verenigbaar is met het Unierecht, dat discriminatie tussen binnenlandse en ingevoerde producten verbiedt. Het Hof concludeerde dat de werkwijze van de Inspecteur en RDW leidt tot een hogere belasting voor ingevoerde auto's met WOK-status dan voor gelijksoortige binnenlandse auto's, wat een belemmering vormt in strijd met het Unierecht.
Daarnaast werd beoordeeld of het historische tarief van vóór 1 juli 2012 van toepassing was. Belanghebbende had onvoldoende gesteld en bewezen dat de auto vóór die datum was geproduceerd, waardoor het beroep op het historische tarief werd afgewezen.
Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de teruggave van € 354 betrof en bepaalde dat de teruggave moet worden vastgesteld op € 438. Verder werd geen griffierecht geheven van de Inspecteur en werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.