Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1. de inspecteur van de Belastingdienst,
2. de Minister voor rechtsbescherming,
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
geenaccijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving. Voorts wijst het Hof op de titel van hoofdstuk V van de Accijnsrichtlijn: overbrenging van accijnsgoederen en accijnsheffing na uitslag tot verbruik. Dit duidt erop dat artikel 7, lid 2, aanhef en letter b, van de Accijnsrichtlijn ziet op accijnsgoederen die niet zijn uitgeslagen (waarvoor geen accijns is betaald in welke lidstaat dan ook) en dat artikelen 32 en 33 van de Accijnsrichtlijn zien op accijnsgoederen die wel zijn uitgeslagen (waarvoor wel accijns is betaald in een lidstaat).
5.Beslissing
vernietigtde uitspraak van de Rechtbank;
verklaarthet bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigtde uitspraak op bezwaar van de Inspecteur;
vermindertde naheffingsaanslag tot een bedrag van € 282,43;
gelastdat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 418 vergoedt;
veroordeeltde Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 29,48; en
veroordeeltde Staat tot vergoeding van de aan de hoger beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500.