Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Administratiekantoor [de VOF 1] VOF,kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
[geintimeerde 2] ,
[geintimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,
9.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 22 november 2016;
- het deskundigenbericht van 28 maart 2017;
- de memorie na deskundigenbericht van [appellant] ;
- de antwoordmemorie na deskundigenbericht van [geintimeerden c.s.] met producties.
10.De verdere beoordeling
die stapelen als fout op fout, maar tot een andere schadebepaling dan die tussen de reële situatie en de hypothetische als er een goed advies zou zijn gegeven, leiden ze niet.”.
Het gaat hier om het bedrag van de aanslag die [appellant] in 2005 moest betalen. Dit bedrag heeft hij niet kunnen investeren.” Nu het hof heeft geoordeeld dat [appellant] geen belastingschade heeft geleden, is er ook geen sprake van een bedrag dat geïnvesteerd had kunnen worden, ook niet indien [appellant] zijn belastingplicht had kunnen uitstellen, zoals hij ter comparitie heeft aangevoerd. Daarbij merkt het hof op dat dit bovendien een nieuwe stelling van [appellant] betreft, waarvoor in dit stadium van de procedure geen plaats meer is (tenzij deze expliciet door [geintimeerden c.s.] geaccepteerd zou zijn, hetgeen niet het geval is).
op geen enkele wijze naar het door de staatsecretaris ingenomen – en door de Hoge Raad in 2000 bevestigde – standpunt, dat geen lijfrenteaftrek mogelijk is, indien een onderneming wordt ingebracht in een besloten vennootschap en binnen korte tijd daarna wordt overgedragen, dan wel gestaakt” wordt verwezen (zie rapport [deskundige] , prod 12 inl. dagv. onder 4). Deze aan [belastingadviseurs] te verwijten ernstige fout is [geintimeerden c.s.] op grond van het bepaalde in art. 6:76 BW Pro op gelijke wijze toe te rekenen als ware het een eigen fout, zo heeft het hof in het eerste tussenarrest beslist. Dat [geintimeerden c.s.] voor deze schade verzekerd is staat vast, terwijl het nadeel dat voor [appellant] uit deze fout kon voortvloeien voor hem als (destijds) kleine ondernemer aanzienlijk is geweest, zoals alleen al blijkt uit deze procedure. Vast staat tevens dat [appellant] geen verwijt van het verkeerde advies c.q. de oorzaak van de schade te maken is. Gegeven al deze omstandigheden en gezien de hoogte van het bedrag waarvoor [geintimeerden c.s.] stellen maximaal aansprakelijk te zijn (€ 1.131,38) in relatie tot de (forse) schade die [appellant] heeft geleden (€ 102.499,00), is het hof van oordeel dat [geintimeerden c.s.] zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op de aansprakelijkheidsbeperking van art. 6 lid 2 van Pro hun Algemene Voorwaarden kunnen beroepen.