Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4273158 \ CV EXPL 15-5814)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met zes producties;
- de memorie van antwoord met drie producties, genummerd 22 tot en met 24;
- het schriftelijk pleidooi, waartoe partijen op 16 mei 2017 pleitnotities in het geding hebben gebracht, [appellante] met vier producties, genummerd 7 tot en met 10 en [geïntimeerde] met één productie (genummerd 21).
3.De beoordeling
Partijen in goed onderling overleg overeenstemming hebben bereikt over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder zij de arbeidsovereenkomst wensen te beëindigen;
Partijen de door hen gesloten overeenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro en dus ter voorkoming van onzekerheden of geschillen, als volgt schriftelijk wensen vast te leggen.
dan ook geen beroep meer doen op enig wilsgebrek.
- Kunt u uit het pensioenvoorstel van 1993 [ het hof begrijpt dat hiermee wordt bedoeld de offerte van [verzekeraar 1] , zie ook daarvoor r.o. 3.1, onder b.] en het ongedateerde interne memo (zie hiervoor, r.o. 3.1, onder b.) afleiden of deze stukken zien op een middelloonregeling of een eindloonregeling?
- Geven de overige (latere) stukken (…) naar uw oordeel als pensioendeskundige enige objectieve aanwijzing voor een antwoord op de vraag of [appellante] in 1993 een eindloonregeling of een middellloonregeling aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld/ aangeboden.
- Acht u de stelling juist dat [verzekeraar 1] destijds geen middelloonregeling kende en dat een eindloonregeling in die tijd gebruikelijk was en acht u deze stellingen relevant?
- Hebt u nog overige opmerkingen die relevant kunnen zijn voor deze zaak?
welbewustzou instemmen (vgl. HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3570). Wil sprake zijn van welbewuste instemming, dan is daartoe naar het oordeel van het hof noodzakelijk dat [geïntimeerde] is gewezen op de concrete financiële consequenties van de wijziging, zodat zij zich een oordeel heeft kunnen vormen omtrent de concrete betekenis van de wijziging van de pensioenregeling voor de omvang van haar pensioen. Wanneer [appellante] aanvoert dat [geïntimeerde] in 2006 akkoord is gegaan met een nieuwe pensioenregeling, dan zal moeten blijken dat zij dat welbewust heeft gedaan, dus met kennis van de consequenties voor de omvang van het op te bouwen pensioen.