Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting, boete en heffingsrente opgelegd aan een vennootschap onder firma (vof) over de periode 2008-2010. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat belanghebbende geen belanghebbende is volgens artikel 26a AWR. De Rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond. Na cassatie door belanghebbende verwees de Hoge Raad de zaak terug naar de Rechtbank, die alsnog uitspraak deed en het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk verklaarde.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat hij als privépersoon hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de vof en daarom wel bezwaar mocht maken. Het Hof oordeelde dat alleen de vof zelf bezwaar kan maken tegen de naheffingsaanslag, ook als de vof is ontbonden, en dat belanghebbende pas bezwaar kan maken tegen een eventuele hoofdelijke aansprakelijkstelling. Het Hof bevestigde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en wees het hoger beroep af.
Het verzoek van belanghebbende om een dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar werd eveneens afgewezen. Het Hof zag geen aanleiding om het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak van de Rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.