Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/184799/HA ZA 13-390)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
De ondergetekenden:De heer [geïntimeerde](…)ende heer [appellant](…)verklaren dat de ondergetekenden sub 1. ter leen verstrekt aan de ondergetekende sub 2., die ter leen ontvangt, en deswege vanaf ter leen verstrekking schuldig is aan de schuldeiser, een bedrag van euro 220.000 (…) in hoofdsom.De ondergetekenden verklaren dat deze overeenkomst van geldlening is aangegaan onder de navolgendeBEDINGEN1. De hoofdsom is te allen tijde geheel aflosbaar met dien verstande, dat er euro 250.000 terugbetaald dient te worden. Het verschil in bedrag is te aanzien als een extra rentevergoeding. Deze rentevergoeding staat los van de rentevergoeding zoals vermeld bij punt 3.2. Van de hoofdsom of het restant daarvan is een rente verschuldigd van 5,25% per jaar (…), te voldoen in maandelijkse termijnen (…)3. De hoofdsom, de extra rentevergoeding (30.000 euro), de maandelijkse rente en kosten zijn zonder voorafgaande opzegging te allen tijde direct opeisbaar.(…)6. Alle kosten, welke de schuldeiser naar zijn oordeel moet maken tot uitoefening van zijn rechten en alle verdere kosten, waartoe deze geldlening aanleiding mocht geven zijn voor rekening van de schuldenaar.(…)”Onder de overeenkomst is zowel bij de naam van [geïntimeerde] als de naam van [appellant] een handtekening geplaatst.
“(…) De schuldenaar erkent schuldig aan de schuldeiser, die deze schuldbekentenis aanneemt, een bedrag groot tweehonderdtwintigduizend euro (€ 220.000,00), hierna te noemen “de hoofdsom”.(…)Ter uitvoering van de overeenkomst als hiervoor vermeld, verleent de schuldenaar aan de schuldeiser, die zulks aanneemt, recht van hypotheek (…) op het hierna te omschrijven onderpand, tot meerdere zekerheid voor:I. de terugbetaling van voormelde hoofdsom, alsmede eventuele verhogingen daarvan, zulks tot een bedrag van tweehonderdvijftigduizend euro (€ 250.000,00);II. De betaling van de bedongen renten, boeten, kosten en het overigens in verband met het vorenstaande verschuldigde, tezamen begroot op zestig procent (60%) van de hoofdsom, zijnde eenhonderdvijftigduizend euro (€ 150.000,00), derhalve in totaal vierhonderdduizend euro (€ 400.000,00).(…)De kosten van verlening en vestiging van deze hypotheek, en alle andere kosten waartoe deze hypotheek en de daardoor verzekerde schuld nu of te eniger tijd aanleiding mochten geven zijn voor rekening van de schuldenaar.(…)”
a) deurwaarderskosten € 4.105,50
b) kosten exploten en verschotten € 224,97
c) kosten notaris 25-5-2011 incl. grosse € 654,50
d) kosten advocaat eerste kort geding januari 2011 € 4.008,78 (op de kosten is een bedrag van € 1.074,00 in mindering gebracht, zijnde de proceskosten waarin [appellant] was verwezen)
e) de extra executiekosten in verband met de eerste aangezegde veiling voor zover deze niet vallen onder het bedrag van € 5.292,97 dat in het vonnis van 6 december 2012 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht is genoemd, zijnde € 871,20 (€ 6.164,17 -/- € 5.292,97)
f) executiekosten in verband met de tweede aangezegde veiling € 6.164,17
g) rente over de ‘extra rentevergoeding’ van € 30.000,00 in 2010-2013 € 5.711,61 (1.650,00 + 1.740,75 + 1.836,49 + 484,37)
h) rente over verschuldigde rente van € 3.024,99 in 2010-2013 € 575,92 (166,38 + 175,52 + 185,18 + 48,84)
allekosten waartoe de hypotheek en de daardoor verzekerde geldschuld
aanleiding mochten gevenvoor rekening zijn van [appellant] . In de akte wordt hiermee een tussen partijen gesloten obligatoire overeenkomst vastgelegd. Gelet op deze bepaling had van [appellant] verwacht mogen worden dat hij nader had gemotiveerd waarom de deurwaarderskosten waarvan [geïntimeerde] betaling heeft gevorderd niet zijn aan te merken als kosten waartoe de hypotheek en de geldschuld aanleiding mochten geven. Nu hij die motivering niet heeft gegeven, wordt zijn stelling als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. [geïntimeerde] heeft de deurwaarderskosten onderbouwd met een gespecificeerde factuur van 25 april 2013 van de deurwaarder (prod. 13 cva), waaruit blijkt dat het honorarium van de deurwaarder € 4.174,50 bedraagt (€ 3.450,00 + € 724,50 BTW). Voor het verschil tussen het bedrag van € 4.174,50 en het eerder in rekening gebrachte bedrag van € 4.105,50 heeft [geïntimeerde] bovendien een verklaring gegeven. Gelet op deze onderbouwing en voorts gelet op het feit dat, naar tussen partijen vaststaat, meerdere keren is geprobeerd om de vordering bij [appellant] te innen en zijn woning te verkopen, kon [appellant] niet volstaan met erop te wijzen dat deze kosten niet gespecificeerd zijn. Het hof passeert de stelling van [appellant] . De deurwaarderskosten zijn daarom niet onverschuldigd betaald terwijl [geïntimeerde] met de betaling van deze kosten niet ongerechtvaardigd is verrijkt.
[geïntimeerde] heeft verwezen naar als productie 14 bij conclusie van antwoord overgelegde facturen van 25 mei 2011 ten bedrage van € 595,00 en € 59,50. Uit deze facturen blijkt dat de rekeningen van de notaris zien op honorarium van de notaris voor werkzaamheden in verband met de voorgenomen veiling en het opmaken van een grosse in dat verband.
Zoals het hof hiervoor ook reeds heeft overwogen is in de akte vermeld dat
allekosten waartoe de hypotheek en de daardoor verzekerde geldschuld
aanleiding mochten gevenvoor rekening zijn van [appellant] en is in zoverre een obligatoire overeenkomst in de akte vastgelegd. Gelet op deze bepaling had van [appellant] verwacht mogen worden dat hij nader had gemotiveerd waarom de notariskosten niet zijn aan te merken als kosten waartoe de hypotheek en de geldschuld aanleiding mochten geven. Nu hij die motivering niet heeft gegeven, wordt zijn stelling als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.
allekosten waartoe de hypotheek en de daardoor verzekerde geldschuld
aanleiding mochten gevenvoor rekening zijn van [appellant] en legt de akte in zoverre een tussen partijen gesloten obligatoire overeenkomst vast. De vraag die thans moet worden beantwoord is of partijen daarmee ook hebben gedoeld op de kosten van een advocaat die zijn gemaakt in verband met het verweer tegen een vordering in kort geding tot het verbieden van de executie van de notariële akte van 12 januari 2009, ook al zijn deze kosten in die procedure al gevorderd en toegewezen op basis van een forfaitair bedrag. Daarbij komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling in de akte mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
ofsprake is van kosten waartoe de geldlening en de hypotheek aanleiding mochten geven, welke kosten reeds door [appellant] zijn voldaan. Bovendien worden proceskosten in beginsel begroot op een forfaitair bedrag. Een redelijke uitleg van de bepalingen in de geldleningsovereenkomst en de akte brengt daarom in beginsel mee dat deze geen betrekking heeft op de advocaatkosten die hier aan de orde zijn. [geïntimeerde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die leiden tot een ander oordeel.