Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Artikel 1
Onderdeel I
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende parkeerde zijn auto op een plek met een maximale parkeerduur van één uur en betaalde € 6, terwijl het tarief per uur € 2 bedroeg. Bij controle bleek dat de auto langer dan een uur geparkeerd stond, waarop een naheffingsaanslag van € 58 werd opgelegd, bestaande uit € 2 parkeerbelasting en € 56 naheffingskosten.
Belanghebbende stelde dat hij met de betaling van € 6 de parkeerbelasting voor drie uur had voldaan en dat daarom geen naheffing mogelijk was. Het hof oordeelde dat het meerdere bedrag van € 4 niet kan worden aangemerkt als betaling voor parkeertijd na het eerste uur, conform een arrest van de Hoge Raad uit 2000. De parkeerbelasting wordt geheven bij aangifte en betaling dient te geschieden voor het maximale parkeerduurvak.
Verder stelde belanghebbende dat de naheffingsaanslag onterecht was opgelegd omdat het feitcode R409b een Mulderbeschikking zou vereisen, maar het hof verwierp dit en bevestigde dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Ook was er geen sprake van opgewekt vertrouwen dat langer dan een uur geparkeerd kon worden, aangezien de maximale parkeerduur duidelijk was aangegeven.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het griffierecht wordt niet vergoed en er is geen proceskostenveroordeling. Belanghebbende kan het te veel betaalde bedrag van € 4 civiel verhalen.
Uitkomst: Het hof bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting omdat betaling van een hoger bedrag dan het tarief voor de maximale parkeerduur niet geldt als betaling voor extra parkeertijd.