Belanghebbende kreeg op 2 februari 2019 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto voor het overgrote deel binnen, maar deels buiten het aangewezen parkeervak stond geparkeerd zonder betaling van parkeerbelasting. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar wegens een bevoegdheidsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Tijdens de zitting op 12 januari 2021 werd vastgesteld dat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase hoger moest worden vastgesteld dan door de rechtbank toegekend. Het Hof oordeelde dat het feit dat de auto deels buiten het parkeervak stond, niet betekent dat er geen sprake was van parkeren in de zin van de Gemeentewet en de Parkeerverordening. De naheffingsaanslag was daarom terecht opgelegd.
Het beroep op een parkeerboete in plaats van naheffing op grond van het RVV 1990 werd verworpen. Ook de overschrijding van de maximale parkeerduur deed niet af aan de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag. Het Hof veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het betaalde griffierecht en tot betaling van de proceskosten van belanghebbende voor zowel de beroepsfase bij de rechtbank als het hoger beroep, met verrekening van reeds betaalde bedragen.