ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3637
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling overdrachtsbelasting voor natuurlijke personen bij verkrijging rijksmonument
Belanghebbende verkreeg een herenhuis dat als rijksmonument is aangemerkt en betaalde overdrachtsbelasting. Hij maakte bezwaar tegen de weigering van vrijstelling op grond van artikel 15 lid 1 onderdeel Pro p van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV), omdat de vrijstelling volgens hem ten onrechte beperkt was tot rechtspersonen.
De Inspecteur wees het bezwaar af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Het Hof oordeelt dat de beperking van de vrijstelling tot rechtspersonen onvoldoende is gerechtvaardigd en leidt tot ongeoorloofde discriminatie tussen natuurlijke personen en rechtspersonen die monumenten verwerven met het oog op instandhouding.
Het Hof stelt vast dat toezicht op onderhoud en instandhouding van monumenten gelijk is voor natuurlijke personen en rechtspersonen, en dat de statutaire verplichtingen bij rechtspersonen geen garantie bieden voor betere besteding van het belastingvoordeel. Daarom overschrijdt de wetgever zijn beoordelingsvrijheid met deze beperking.
Het Hof besluit zelf in het rechtstekort te voorzien door de vrijstelling toe te passen op de verkrijging door belanghebbende. Tevens veroordeelt het Hof de Inspecteur in de proceskosten en bepaalt dat de Staat deze kosten moet vergoeden. De uitspraak is op 1 mei 2009 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het Hof kent de vrijstelling overdrachtsbelasting toe aan belanghebbende en vernietigt eerdere uitspraken.