ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3486
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Knijp
- Bax-Stegenga
- Jongbloed
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid vertegenwoordiging en tegenstrijdig belang bij BHV-vennootschappen
In deze zaak stond centraal de vraag of de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) van BHV Bouwhout BV en BHV Olie BV een geldig besluit had genomen tot aanwijzing van een bevoegde vertegenwoordiger, zoals vereist bij tegenstrijdig belang volgens art. 2:256 BW Pro. ABN AMRO stelde dat een stilzwijgend of impliciet besluit volstond en dat er geen sprake was van tegenstrijdig belang.
Het hof oordeelde dat de beschermingsgedachte van art. 2:256 BW Pro vereist dat bij tegenstrijdig belang een uitdrukkelijk besluit van de ava noodzakelijk is. Stilzwijgende of impliciete besluiten, ook als deze door de enig aandeelhoudster BHV Holding BV als bestuurster werden genomen, zijn onvoldoende. ABN AMRO kon niet aantonen dat zij redelijkerwijs mocht vertrouwen op een geldige vertegenwoordigingsbevoegdheid.
Verder wees het hof het beroep op redelijkheid en billijkheid af omdat ABN AMRO onvoldoende feiten had aangevoerd die een afwijking van de wettelijke regeling rechtvaardigen. Het incidenteel appel van de curator werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis en veroordeelde ABN AMRO in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep van ABN AMRO af wegens ontbreken van een uitdrukkelijk aandeelhoudersbesluit bij tegenstrijdig belang.