4.15.Alles afwegende, is het hof van oordeel dat ter bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto, gelet op het zeer geringe verschil in Co2uitstoot, in het onderhavige geval het beste kan worden aangesloten bij de door de inspecteur gehanteerde koerslijst van AutotelexPro (…).”
Dat de auto met deze CO2-uitstoot niet voorkomt in de koerslijsten, brengt nog niet mee dat de koerslijstmethode niet kan worden toegepast. Als in de koerslijsten een goede referentieauto is te vinden met een iets andere CO2-uitstoot, dan mag voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde worden uitgegaan van die referentieauto in de koerslijst. Hof Den Bosch gaat daar ook vanuit. Het beroep op interne compensatie voor auto 1 faalt derhalve.
De naheffing voor auto 1 dient dan te worden verminderd met € 30 tot € 358 in verband met de hogere historische nieuwprijs en daardoor de hogere afschrijving. Dat brengt mee dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd met € 30 tot € 1.310.
15. Wat betreft de taxatierapporten voor auto’s 3 en 4 overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de foto’s bij de taxatierapporten blijkt niet dat de in de kostenoverzichten vermelde reparaties daadwerkelijk het gevolg zijn van schade en niet betrekking hebben op normale gebruikssporen. De foto’s zijn dermate onduidelijk dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van schade aan de auto’s. Verder worden in het kostenoverzicht ook expertisekosten en kosten voor het programmeren van Nederlandse software vermeld. Dat zijn kosten die sowieso niets met schade te maken hebben. In de taxatierapporten wordt vermeld dat de opnametijd per auto 15 minuten is. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de taxateur in slechts 15 minuten tijd de wielophanging, de velgen en banden, de stuurinrichting, de remmen, de motor, de versnellingsbak en aandrijving, de elektrische installatie, de gehele carrosserie en het interieur van de auto’s kan beoordelen. Verder wordt in de taxatierapporten, naast een waardevermindering wegens schade, ook een waardevermindering van 10% in aanmerking genomen wegens het schadeverleden van de auto’s maar deze wordt op geen enkele wijze toegelicht. Uit dit alles volgt dat eiseres met de taxatierapporten de door haar gestelde waardeverminderingen wegens schade en een schadeverleden van auto’s 3 en 4 niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank acht aannemelijk dat de naheffingen voor auto’s 3 en 4 dan eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld. Het beroep van verweerder op interne compensatie voor deze auto’s slaagt daarom. Dat bij de naheffingsaanslag geen correctie is aangebracht op de door eiseres voor auto’s 3 en 4 in aanmerking genomen schadebedragen en waardeverminderingen wegens een vermeend schadeverleden, staat daar niet aan in de weg. Het is verweerder toegestaan de grondslag van de naheffingsaanslag in beroep aan te vullen dan wel te wijzigen, zolang dit niet resulteert in een hogere naheffingsaanslag. Dit is, anders dan eiseres stelt, niet in strijd met het vertrouwensbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel.
16. Gelet op wat onder 14 is overwogen, is het beroep met zaaknummer SGR 23/7099 (auto 1) gegrond verklaard en zijn de overige beroepen (auto’s 3 en 4) ongegrond verklaard. Het beroep ziet niet op auto 2, zodat deze buiten beschouwing blijft.
17. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 5 oktober 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 13 maart 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, vijf maanden.
18. De rechtbank merkt op dat het overgangsrecht van het arrest van 14 juni 2024 [3] hier niet van toepassing is, omdat de redelijke termijn op de datum van het arrest nog niet was overschreden. De rechtbank ziet zich daarom gesteld voor de vraag of de termijnoverschrijding moet leiden tot een schadevergoeding. Eiseres heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat de naheffing voor auto 2 niet in geschil is. Daarmee heeft zij haar primaire standpunt dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd tegen beter weten ingenomen. Het financiële effect van dat standpunt dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten. [4] Het financiële belang van het subsidiaire standpunt bedraagt minder dan € 1.000. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).