Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:544

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
200.359.761/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 5 EVRMArt. 12 EVIGArt. 41 EVRMArt. 46 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing opschorting tenuitvoerlegging levenslange gevangenisstraf Albanese veroordeelde

De zaak betreft een Albanese veroordeelde die in Nederland een levenslange gevangenisstraf, omgezet in 18 jaar, uitzit. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde dat het Constitutioneel Hof van Albanië artikel 6 EVRM Pro schond door het ontbreken van een motivering bij de afwijzing van een herzieningsverzoek. De veroordeelde verzocht daarop om opschorting van de strafuitvoering in Nederland.

De voorzieningenrechter wees dit verzoek af en het hof bevestigt deze beslissing. Het hof overweegt dat het EHRM de strafrechtelijke veroordeling niet heeft vernietigd of ongeldig verklaard, maar slechts een procedureel gebrek constateerde. De strafuitvoering in Nederland is daarom niet onrechtmatig en hoeft niet te worden opgeschort.

Het hof benadrukt dat de heropende procedure bij het Albanese Constitutioneel Hof moet worden afgewacht, aangezien deze ook kan leiden tot een inhoudelijke motivering zonder dat de straf wordt ingetrokken. De Staat is op grond van het EVIG-verdrag pas verplicht de tenuitvoerlegging te staken als duidelijk is dat de sanctie niet langer uitvoerbaar is, wat hier niet het geval is.

De vorderingen van de appellant worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt dat de Staat niet onrechtmatig handelt door de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf niet te staken of op te schorten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.359.761/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/686464 – KG ZA 25-531
Arrest van 3 maart 2026 in kort geding
in de zaak van
[appellant],
gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [verblijfplaats],
appellant,
advocaat: mr. E.G.S. Roethof, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. C.M. Bitter, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Staat.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] is in Albanië veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor moord en wapenbezit. Hij is op verzoek van Albanië in 2016 in Nederland aangehouden. Nadat zijn uitlevering in kort geding was verboden, is de tenuitvoerlegging van de straf op verzoek van Albanië door Nederland overgenomen. De straf is daarbij omgezet in een gevangenisstraf van 18 jaar. [appellant] zit deze straf momenteel in Nederland uit. In februari 2025 heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geoordeeld dat de afwijzing van het herzieningsverzoek van [appellant] door het Constitutioneel Hof van Albanië een schending oplevert van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), vanwege het ontbreken van een motivering. Volgens het EHRM is een heropening van de herzieningsprocedure in Albanië de meest passende vorm van rechtsherstel. [appellant] heeft zo’n verzoek om heropening ingediend.
1.2
In dit kort geding ligt nu de vraag voor of de Staat onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig handelt door de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf niet te staken of op te schorten. De voorzieningenrechter heeft de daartoe strekkende vorderingen van [appellant] afgewezen en het hof is het daarmee eens.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 30 september 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2025, waarin de grieven tegen dat vonnis zijn opgenomen (met bijlagen);
  • de memorie van antwoord van de Staat, met bijlagen;
  • de bijlagen 1 tot en met 3 die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de bijlage 1 die de Staat ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 20 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht. De advocaat van de Staat heeft dat gedaan aan de hand van pleitaantekeningen die zij heeft overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[appellant] heeft de Albanese nationaliteit. Hij is in Albanië berecht voor moord en wapenbezit. Nadat hij in eerste aanleg was vrijgesproken is hij in hoger beroep bij uitspraak van 29 juni 2015 van het ‘College of Appeal Court for Serious Crimes’ in Tirana veroordeeld tot een voor tenuitvoerlegging vatbare levenslange gevangenisstraf. Het door [appellant] tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is op 8 juni 2017 door de Albanese ‘Supreme Court’ verworpen. Tegen deze beslissing heeft [appellant] een herzieningsverzoek ingediend bij het ‘Constitutional Court of the Republic of Albania’ (hierna: het Constitutioneel Hof).
3.2
Tijdens de hiervoor vermelde cassatieprocedure is een uitleveringsprocedure opgestart. De Albanese autoriteiten hebben in mei 2016 de Nederlandse autoriteiten verzocht om de uitlevering van de [appellant] met het oog op de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde levenslange gevangenisstraf. In mei 2016 is [appellant] in Nederland aangehouden. De rechtbank Amsterdam heeft de uitlevering van [appellant] op 11 augustus 2016 [1] toelaatbaar verklaard en die uitspraak is in cassatie in stand gebleven. Hierna heeft de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) de uitlevering bij besluit van 10 augustus 2017 toegestaan, maar daartegen is [appellant] met succes in kort geding opgekomen. Op 26 februari 2018 [2] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag de Staat verboden om [appellant] aan Albanië uit te leveren. Volgens de voorzieningenrechter waren de criteria voor invrijheidsstelling van een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde in Albanië te vaag om te voldoen aan de eisen die daaraan op grond van de rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad moeten worden gesteld. Bij arrest van 12 februari 2019 [3] heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
3.3
Het Constitutioneel Hof in Albanië heeft het herzieningsverzoek van [appellant] op 24 april 2018 afgewezen.
3.4
Nadat nadere informatie van de Albanese autoriteiten was verkregen heeft de Minister de uitlevering van [appellant] bij beschikking van 27 februari 2019 andermaal toegestaan. Ook hiertegen is [appellant] met succes opgekomen. Bij vonnis van 15 mei 2019 [4] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de Staat opnieuw verboden om [appellant] aan Albanië uit te leveren. Tegen dit vonnis heeft de Staat geen hoger beroep ingesteld.
3.5
In de tussentijd had de Minister van Justitie van Albanië de Minister verzocht om, in het geval de uitlevering niet door zou gaan, [appellant] in hechtenis te houden en de strafuitspraak in Nederland ten uitvoer te leggen (op grond van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen, hierna: WOTS). Bij vonnis van 23 januari 2020 [5] heeft de internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam de tenuitvoerlegging van de in Albanië opgelegde straf toelaatbaar verklaard op grond van het Europees verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (EVIG). De rechtbank heeft de gevangenisstraf omgezet in een gevangenisstraf van 18 jaar, met aftrek van voorarrest/detentie in de uitleveringsprocedure en in de procedure onder de WOTS. [appellant] zit deze straf momenteel uit.
3.6
Op 4 februari 2025 heeft het EHRM uitspraak [6] gedaan op de klacht die [appellant] tegen Albanië had ingediend. Het EHRM heeft geoordeeld dat artikel 6 van Pro het EVRM was geschonden omdat de afwijzende uitspraak van het Constitutioneel Hof op het herzieningsverzoek van [appellant] niet was gemotiveerd, maar slechts de uitkomst van de stemming van de leden van dat hof bevatte. Het EHRM heeft geoordeeld dat dit een schending van art. 6 lid 1 EVRM Pro oplevert en heeft verder onder meer het volgende overwogen (onderstreping hof):
"21. The applicant also complained under Article 6 § 1 of the Convention about the lack of adequate reasoning of the Supreme Court, that the Supreme Court was not an independent and impartial tribunal, and under Article 6 $ 2 about the presumption of innocence.
Having regard to its finding concerning the applicant 's right to a reasoned judgment under Article 6 § 1 of the Convention (see paragraph 16 above), the Court notes that the applicant now has an opportunity to seek the reopening of the proceedings before the Constitutional Court (see paragraph 25 below). That would allow, in principle, for an examination of the applicant 's remaining complaints under the Convention through a properly reasoned decision of that court. In these circumstances, and in line with its subsidiary role, the Court considers that it is not necessary to consider the applicant 's remaining complaints at this time. It is open to him to lodge a new application with the Court, as the case may be, following a fresh determination of his constitutional complaint at the national level.
(. .. )
25. The Court reiterates that a judgment in which it finds a breach of the Convention imposes on the respondent State a legal obligation to put an end to the breach and make reparation for its consequences.Given the nature of the applicants' complaints and of the violation found, the Court considers that the most appropriate form of reparation for the violations found would be the reopening of the proceedings before the Constitutional Court, should the applicant so request,given that it is capable of providing restitutio in integrum as required under Article 41 of the Convention(…). In this connection, the Court notes that Section 71 (c) of the Constitutional Court Act provides that proceedings before the Constitutional Court may be reopened if an international court with binding jurisdiction over the Republic of Albania finds that an individual 's fundamental rights or freedoms have been violated "owing to a [prior] decision of the Constitutional Court". That being so, the finding of a violation constitutes sufficient just satisfaction in the present case."
3.7
[appellant] heeft op 8 april 2025 op grond van het oordeel van het EHRM verzocht om heropening van de procedure bij het Constitutioneel Hof, om opschorting en nietigverklaring (‘annulment’) van de uitspraken in hoger beroep en in cassatie, en om een herbeoordeling van zijn zaak door andere rechters. Op 29 juli 2025 hebben de Albanese autoriteiten formeel bevestigd dat dit verzoek is ontvangen en dat de procedure door het Constitutioneel Hof is heropend.
3.8
Op 16 april 2025 heeft [appellant] bij de Staat een verzoek gedaan tot beëindiging, althans opschorting van de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. De Staat heeft dat verzoek in mei 2025 afgewezen. Daaraan heeft de Staat ten grondslag gelegd dat Albanië de Staat niet heeft geïnformeerd dat er sprake is van een herzieningsaanvraag die meebrengt dat de sanctie niet langer uitvoerbaar is, als bedoeld (volgens de Staat) in art. 12 lid 1 EVIG Pro.
3.9
Artikel 12 EVIG Pro luidt in de Nederlandse vertaling als volgt (onderstreping hof):
1.
De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat beëindigen de tenuitvoerlegging zodra zij kennis dragen vangratie, amnestie,
een aanvrage tot herziening of van elke andere beslissing die de sanctie niet langer uitvoerbaar maakt. Hetzelfde geldt voor de tenuitvoerlegging van een geldboete, wanneer de veroordeelde deze aan de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat heeft betaald.
2. De verzoekende Staat stelt onverwijld de aangezochte Staat in kennis van een op zijn grondgebied genomen beslissing of processuele handeling die, overeenkomstig het vorige lid, aan het recht tot tenuitvoerlegging een einde maakt.
3.1
Op verzoek van de Staat hebben de Albanese autoriteiten nadere informatie gegeven. Uit een brief van het Constitutioneel Hof van 12 december 2025 (bij formele nota doorgeleid aan de Staat) blijkt dat de behandeling van het heropeningsverzoek van [appellant] gepland staat op 17 februari 2026. In reactie op de vraag van de Staat of het verzoek van [appellant] maakt dat de tenuitvoerlegging van de veroordeling moet worden opgeschort, heeft het Constitutioneel Hof verwezen naar de toepasselijke regelgeving, te weten de artikelen 71/c en 76 van de Wet met nummer 8577, van 10 februari 2000, getiteld (in de Engelse vertaling) “On the organization and functioning of the Constitutional Court of the Republic of Albania”.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellant] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de Staat beveelt om de tenuitvoerlegging van het Albanese strafvonnis per direct op te schorten en [appellant] onmiddellijk en onvoorwaardelijk in vrijheid te stellen, althans de Staat beveelt om de tenuitvoerlegging te schorsen totdat [appellant] in Albanië een eerlijk herzieningsproces heeft georganiseerd, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.2
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert in hoger beroep hetzelfde als bij de voorzieningenrechter. Het hof merkt volledigheidshalve op dat in het petitum van de appeldagvaarding naast vernietiging van het vonnis niet alsnog toewijzing van de vorderingen van [appellant] wordt verzocht, maar (onder meer) afwijzing van de vorderingen van geïntimeerde wordt gevorderd. Het is echter niet voor misverstand vatbaar dat dit een vergissing is. Uit het lichaam van de appeldagvaarding blijkt duidelijk dat [appellant] zijn vorderingen handhaaft en de Staat is daar ook van uit gegaan. Het hof leest het petitum dan ook als zodanig
5.2
De grieven (bezwaren) tegen het vonnis houden samengevat het volgende in. [appellant] handhaaft zijn stelling dat de Staat onrechtmatig handelt door de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voort te zetten. [appellant] voert aan dat de uitspraak van het EHRM betekent dat zijn veroordeling in strijd met artikel 6 EVRM Pro tot stand is gekomen en dat daarom geen geldige titel voor vrijheidsbeneming meer resteert. Een veroordeling die door het EHRM is getypeerd als in strijd met artikel 6 EVRM Pro heeft volgens [appellant] geen legitimiteit meer in een rechtsstaat. Het gaat om een ernstig en fundamenteel gebrek. Voortzetting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf levert daarom een schending van artikel 5 EVRM Pro op. De Albanese autoriteiten hebben formeel bevestigd dat de herzieningsprocedure is heropend en dat brengt mee dat de Staat op grond van artikel 12 EVIG Pro verplicht is om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf onmiddellijk te beëindigen.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Het hof is van oordeel dat het standpunt van [appellant] onjuist is en dat de grieven dus geen succes hebben. Het hof legt hierna uit waarom het tot dit oordeel is gekomen.
6.2
Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen heeft het EHRM de Albanese strafrechtelijke veroordeling van [appellant] niet vernietigd of gewijzigd. De rechtsgeldigheid van die veroordeling is in stand gebleven. Het is ook niet juist dat het EHRM heeft geoordeeld dat de veroordeling van [appellant] als zodanig tot stand is gekomen in strijd met het EVRM, zoals [appellant] aanvoert. Het EHRM heeft uitsluitend vastgesteld dat de uitspraak van het Constitutioneel Hof een schending van artikel 6 EVRM Pro oplevert omdat die uitspraak niet is gemotiveerd. [appellant] merkt terecht op dat dit een serieus gebrek is dat niet moet worden gebagatelliseerd. Dat betekent echter niet dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland gezien moet worden als een voortdurende schending van artikel 5 EVRM Pro, die moet worden beëindigd door invrijheidsstelling van [appellant]. Het is niet zo dat steeds als het EHRM een schending vaststelt in een procedure die tot een veroordeling heeft geleid, dit moet leiden tot de conclusie dat verdere tenuitvoerlegging onrechtmatig is. Dit hangt onder meer af van de aard van de schending en de voorliggende mogelijkheden voor rechtsherstel en van hetgeen het EHRM daarover heeft overwogen (zie ook 6.4. en 6.5. hierna). De vergelijking met de zaak Assanidze/Georgië gaat niet op. In die zaak oordeelde het EHRM dat de aanhoudende detentie van klager in strijd was met artikel 5 EVRM Pro omdat hij was vrijgesproken maar desondanks niet in vrijheid werd gesteld. Iets dergelijks doet zich in dit geval niet voor.
6.3
De uitspraak van het EHRM heeft uiteraard wel consequenties. Het is in de eerste plaats
aan de Albanese autoriteitenom op grond van artikel 46 EVRM Pro (in samenhang met artikel 41 EVRM Pro) zoveel mogelijk te zorgen voor rechtsherstel voor [appellant]. Het EHRM heeft overwogen dat in dit geval, gelet op de aard van de klachten van [appellant] en de aard van de vastgestelde schending, een heropening van de herzieningsprocedure bij het Constitutioneel Hof
“the most appropriate form of reparation”is. Die route maakt het naar het oordeel van het EHRM ook mogelijk dat de overige klachten van [appellant] op grond van artikel 6 EVRM Pro (over het gebrek aan motivering van de uitspraak in cassatie, het gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Albanese ‘Supreme Court’ en over de schending van de onschuldpresumptie) door het Constitutioneel Hof worden onderzocht en gemotiveerd worden beoordeeld. Het EHRM heeft om die reden
(“and in line with its subsidiary role”) deze overige klachten onbesproken gelaten.
6.4
[appellant] heeft inmiddels om heropening verzocht, en de Albanese autoriteiten hebben bevestigd dat de herzieningsprocedure is heropend. Het hof is net als de voorzieningenrechter van oordeel dat de uitkomst van de heropende procedure bij het Constitutioneel Hof moet worden afgewacht. Daarbij is van belang dat niet de enig denkbare uitkomst is dat de veroordeling wordt teruggedraaid, althans dat de straf niet langer uitvoerbaar zal zijn. Een mogelijke uitkomst is ook dat de beslissing inhoudelijk wordt gehandhaafd, zij het ditmaal met een deugdelijke motivering. Zo’n uitkomst heeft geen gevolgen voor de duur en/of uitvoerbaarheid van de gevangenisstraf.
6.5
De Staat is bij deze (voorlopige) stand van zaken op grond van het EVIG verplicht om de Albanese veroordeling, zoals omgezet door de Nederlandse rechter, ten uitvoer te leggen. Daarop kan alleen een uitzondering worden gemaakt als één van de in artikel 12 EVIG Pro genoemde gevallen zich voordoet en het hof is met de Staat van oordeel dat dit niet het geval is. [appellant] stelt dat de zinsnede
“die de sanctie niet langer uitvoerbaar maakt”(zie citaat hierboven onder 3.9.) alléén slaat op
“enige andere beslissing”en niet ook op
“een aanvrage tot herziening”. Dit brengt volgens [appellant] mee dat de tenuitvoerlegging moet worden gestaakt zodra de Staat een bericht heeft ontvangen dat een aanvraag tot herziening is gedaan. Deze uitleg volgt naar het oordeel van het hof niet (dwingend) uit de tekst van artikel 12 EVIG Pro; integendeel de woorden
“enigeanderebeslissing”maken juist duidelijk dat de daarop volgende zinsnede ook ziet op de daarvóór gegeven voorbeelden, en dus ook op de vermelde
“aanvrage tot herziening”. Afgezien van deze tekstuele benadering geldt dat de uitleg van [appellant] naar het oordeel van het hof zozeer ongerijmd is dat deze als evident onjuist moet worden beschouwd. De uitleg van [appellant] zou immers meebrengen dat een veroordeelde door het enkele indienen van een herzieningsverzoek zelf al zou kunnen realiseren dat hij in vrijheid moet worden gesteld. Het hof acht uitgesloten dat dit de bedoeling is geweest van de verdragspartijen. Voor de volledigheid merkt het hof op dat het ook de Engelse tekst heeft geraadpleegd en dat die niet tot een ander oordeel leidt.
6.6
Het hof is het dan ook met de Staat eens dat in de situatie waarin een herzieningsverzoek is gedaan, artikel 12 EVIG Pro pas dan een verplichting tot opschorting of staking van de tenuitvoerlegging meebrengt als duidelijk is dat sprake is van een situatie die maakt dat de sanctie niet langer uitvoerbaar is. Deze uitleg komt overeen met wat de Staat heeft geschreven in zijn mail van 1 mei 2025, zodat evenmin juist is de stelling van [appellant] dat de Staat zich met die mail heeft verplicht te doen wat [appellant] nu vraagt.
6.7
De Staat heeft nagevraagd of sprake is van een situatie die maakt dat de sanctie niet (langer) uitvoerbaar is. In reactie daarop hebben de Albanese autoriteiten verwezen naar de toepasselijke wetsbepalingen (zie hierboven onder 3.10). Het hof is met de Staat van oordeel dat uit die bepalingen niet blijkt dat de tenuitvoerlegging moet worden opgeschort hangende de heropende herzieningsprocedure bij het Constitutioneel Hof. Het tegendeel is overigens ook niet door [appellant] aangevoerd. Gelet op het feit dat de heropende procedure bij het Constitutioneel Hof ook als uitkomst kan hebben dat de beslissing alsnog wordt gemotiveerd, maar dat het resultaat (afwijzing) hetzelfde blijft (zie 6.4.), is het ook niet logisch om aan te nemen dat de straf reeds nu niet langer uitvoerbaar is. Dit bevestigt dat de uitspraak van het Constitutioneel Hof zal moeten worden afgewacht.
6.8
[appellant] heeft ter zitting ook nog een beroep gedaan op artikel 6 EVIG Pro in verbinding met artikel 30 WOTS Pro. De Staat heeft terecht tegengeworpen dat de voorzieningenrechter dit (al in eerste aanleg gedane) beroep heeft verworpen (vonnis onder 4.9.), dat daartegen geen grief is gericht en dat het debat op dit punt dus als afgesloten moet worden beschouwd. Overigens is het hof het inhoudelijk eens met de oordeel van de voorzieningenrechter.
6.9
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [appellant] terecht zijn afgewezen.
6.1
Voor de volledigheid overweegt het hof dat het niet bevoegd is te oordelen over de inhoud van de strafzaak in Albanië. De daarop betrekking hebbende opmerkingen in de appeldagvaarding (o.a.: veroordeling bij verstek en op basis van slechts één, door de Albanese Staat betaalde getuige) laat het hof daarom buiten beschouwing.
Conclusie en proceskosten
6.11
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.12
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.596,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2025;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.596,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
  • verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. E.M. Dousma-Valk, mr. P. Glazener en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.13/751352-16; ECLI:NL:RBAMS:2016:5086.
2.C/09/538467 / KG ZA 17/1153.
3.200.237.606/01; ECLI:NL:GHDHA:2019:272.
4.C/09/569614 / KG ZA 19-222.
5.13/736001-19; ECLI:NL:RBAMS:2020:311.
6.EHRM 4 februari 2025, [appellant]/Albanië, appl. no. 30658/18.