Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:330

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
BK-25/198
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije drankenArt. 4 Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije drankenArt. 6 Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije drankenArt. 16 Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije drankenArt. 17 Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag verbruiksbelasting en vernietiging boetebeschikking

Belanghebbende, een onderneming die verbruiksgoederen zoals alcoholvrije dranken verkoopt, kreeg een naheffingsaanslag verbruiksbelasting opgelegd over de periode 2017-2019. Tevens werd belastingrente en een boete opgelegd. De Rechtbank vernietigde de boetebeschikking en matigde de belastingrente. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur incidenteel hoger beroep instelde tegen de vernietiging van de boete.

De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan eerdere controles dat geen verbruiksbelasting verschuldigd was bij directe leveringen vanuit andere EU-lidstaten via Nederlandse leveranciers, en of het verdedigingsbeginsel was geschonden door een korte reactietermijn op het conceptcontrolerapport. Het Hof oordeelde dat geen toezeggingen of gedragingen van de Inspecteur bestonden die het vertrouwensbeginsel rechtvaardigen en dat het verdedigingsbeginsel niet was geschonden.

Daarnaast werd geoordeeld dat de boetebeschikking terecht was vernietigd omdat de Inspecteur in de beroepsfase niet meer kon terugkomen op de wijziging van de boetebasis van artikel 67c naar 67b AWR. Het verzoek tot een hogere proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag en vernietigt de boetebeschikking wegens niet-tijdige oplegging en wijziging van de boetebasis.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/198

Uitspraak van 17 februari 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: R.B.H. Beune)
en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 maart 2025, nummer SGR 23/1599.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende over de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag verbruiksbelasting opgelegd van € 522.381 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig is bij beschikking € 47.426 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente) en een boete van € 14.851 opgelegd (de boetebeschikking).
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 284.828, de beschikking belastingrente verminderd tot € 29.334 en de boetebeschikking verminderd tot € 6.324.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de rentebeschikking en de boetebeschikking;
- vermindert de rentebeschikking tot een bedrag van € 18.796;
- vernietigt de boetebeschikking;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een schriftelijke zienswijze op het incidenteel hoger beroep ingediend.
1.6.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Partijen hebben een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende verkoopt verbruiksgoederen zoals vruchten- en groentensappen, mineraalwater en limonades aan slijterijen, groothandelaren, supermarkten en avondwinkels in Nederland. Ook vindt verkoop plaats aan ondernemers in België en Duitsland. Daarnaast verkoopt belanghebbende koffie, chocolade en verpakkingsmaterialen. Belanghebbende koopt de verbruiksgoederen in bij Nederlandse leveranciers, leveranciers binnen de EU en leveranciers uit derde landen.
2.2.
De heer [A] is bestuurder van de vennootschap.
2.3.
De Inspecteur heeft in 2017 een administratieve controle ingesteld bij belanghebbende naar de juistheid en de volledigheid van de aangiften accijns- en verbruiksbelasting over de periode 1 januari tot en met 31 december 2015. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport gedateerd 8 november 2017 (controlerapport 2017). In het controlerapport staat onder meer:

“4.1Afdracht van de verbruiksbelasting

Als verbruiksbelastinggoederen worden ontvangen vanuit een andere EU-lidstaat is geen vergunning van de Douane nodig. Wel moet voor de ontvangen verbruiksbelastinggoederen de verbruiksbelasting op dag/weekaangifte worden voldaan.
(…)
Verder is over het jaar 2015 de volgende onregelmatigheid bevonden:
Vastgesteld is dat [belanghebbende] voor één levering met verbruiksbelastinggoederen, afkomstig van de firma [Leverancier 1] uit [vestigingsplaats 1] Duitsland, heeft nagelaten aangifte te doen. Derhalve is sprake van uitslag in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije goederen (hierna Wet), te weten het voorhanden hebben van alcoholvrije dranken welke niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen in de heffing van de verbruiksbelasting zijn betrokken. Terzake van uitslag is op grond van artikel 1 van Pro de Wet verbruiksbelasting verschuldigd.
(…)
Afspraak:
Met de heer [A] is afgesproken dat met ingang van heden (datum rapport) de uit de lidstaten van de EU afkomstige zendingen verbruiksbelastinggoederen tijdig worden aangegeven. Een weekaangifte dient te worden gedaan uiterlijk op vrijdag volgende op de week van de ontvangst van de goederen.
4.2
Volledigheid van de ontvangsten
Aan de hand van de aangiftedossiers, de factuuradministratie en de vastleggingen van de inkoopgegevens in de audit-file, is vastgesteld dat [belanghebbende] in 2015 geen verbruiksbelastinggoederen heeft ontvangen die niet in de heffing van de verbruiksbelasting zijn betrokken.
Conclusie: met uitzondering van de in onderdeel 4.1. geconstateerde onregelmatigheid, zijn alle daartoe in aanmerking komende ontvangsten in 2015 verantwoord in een verbruiksbelastingaangifte.
(…)
4.5
Gecontroleerde bescheiden
De juistheid en volledigheid van de ontvangen accijnsgoederen is gecontroleerd aan de hand van de weekaangiften verbruiksbelasting, de aangiftedossiers van de zendingen verbruiksbelasting, de factuuradministratie en de factuurhistorie, de audit file, het rechtstreeks door de Britse leverancier [Leverancier 2] verstrekte leveringsoverzicht en de overzichten Intracommunautaire Transacties.”
2.4.
De Inspecteur heeft in 2017 ook een administratieve controle ingesteld bij belanghebbende naar de juistheid en de volledigheid van de aangiften accijns- en verbruiksbelasting over de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2017. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport gedateerd 27 november 2018 (controlerapport 2018). In het controlerapport staat onder meer:

“4.1Wettelijke bepalingen verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken

Ter zake van het verwerven van alcoholvrije dranken gelden onder andere de volgende in de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken (hierna te noemen Wet VB) opgenomen bepalingen:
Artikel 1, lid 2, Wet VB:
Onder de naam verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt een belasting geheven ter zake van de uitslag en de invoer van alcoholvrije dranken. In de artikelen 3 en 4 Wet VB is aangegeven wat (mede) onder uitslag moet worden verstaan. In artikel 4 Wet Pro VB, eerste lid 1, sub a, wordt als uitslag mede aangemerkt het voorhanden hebben van alcoholvrije dranken waarvan de belasting niet is geheven, door een ondernemer in het kader van zijn onderneming, anders dan in een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen.
Artikel 17 Wet Pro VB geeft aan dat de belasting wordt geheven van degene die de alcoholvrije dranken voorhanden heeft en artikel 19 Wet Pro VB geeft aan dat de belasting verschuldigd wordt op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben van de alcoholvrije dranken. Van de verschuldigd geworden verbruiksbelasting dient uiterlijk de vrijdag na de week waarin de verbruiksbelastinggoederen zijn ontvangen, aangifte te worden gedaan en de belasting op aangifte afgedragen te worden.
(…)
4.2
Bevindingen 2016
Over het jaar 2016 zijn de volgende onregelmatigheden bevonden:
Vastgesteld is dat [belanghebbende] ten aanzien van zes leveringen met verbruiksbelastinggoederen heeft nagelaten weekaangifte te doen. Er is derhalve sprake van uitslag in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet VB. Ter zake van de uitslag is op grond van artikel 1 van Pro de Wet VB afgerond € 8.992,00 aan verbruiksbelasting verschuldigd. Zie onderstaand correctieoverzicht:
Leverancier
Factuurnr.
Factuurdatum
Ontvangst 2016
Limonade / vruchtensap in hl.
Tarief
Verbruiksbelasting
[Leverancier 1]
[…]
22-12-2015
Week 1
148,68
€ 8.83
€ 1.312,84
[Leverancier 1]
[…]
30-12-2015
Week 1
5,46
€ 8.83
€ 48,21
[Leverancier 3]
[…]
29-03-2016
Week 13
207,77
€ 8.83
€ 1.834,61
[Leverancier 4]
[…]
03-05-2016
Week 18
222,39
€ 8.83
€ 1.963,71
[Leverancier 4]
[…]
28-04-2016
Week 19
222,39
€ 8.83
€ 1.963,71
[Leverancier 5]
[…]
12-07-2016
Week 28
211,68
€ 8.83
€ 1.869,13
Totaal
€ 8.992,00
4.3
Bevindingen 2017
Over de periode 1 januari tot en met 30 juni 2017 zijn geen onregelmatigheden bevonden.”
2.5.
In 2020 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een administratieve controle uitgevoerd met als doel vast te stellen of over de periode 1 juli 2017 tot en met 31 december 2019 bij belanghebbende accijnsgoederen onderscheidenlijk verbruiksbelastinggoederen voorhanden waren die niet in de accijns- dan wel verbruiksbelasting waren betrokken. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport gedateerd 7 december 2020 (controlerapport 2020). In het controlerapport 2020 heeft de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende bij vijf Nederlandse leveranciers alcoholvrije dranken heeft gekocht waarover noch door de verkopers noch door belanghebbende verbruiksbelasting op aangifte is voldaan. Het betreft aankopen van alcoholvrije dranken bij de leveranciers [Leverancier 6] , [Leverancier 7] , [Leverancier 8] , [Leverancier 9] en [Leverancier 10] . De goederen die belanghebbende bij deze leveranciers heeft gekocht zijn veelal rechtstreeks vanuit een andere EU-lidstaat op het bedrijfsadres van belanghebbende afgeleverd. De facturering van de leveringen aan belanghebbende geschiedde door bovenvermelde vijf Nederlandse leveranciers. Op de facturen, die zich in de administratie van belanghebbende bevinden, staat de prijs inclusief verbruiksbelasting vermeld dan wel heeft belanghebbende zelf handmatig op de factuur vermeld dat verbruiksbelasting is voldaan. Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport 2020 heeft de Inspecteur met betrekking tot deze transacties over de jaren 2017, 2018 en 2019 een bedrag van € 511.173,26 aan verbruiksbelasting nageheven.
2.6.
Belanghebbende heeft ook rechtstreeks verbruiksbelastinggoederen ingekocht bij leveranciers in andere EU-lidstaten. Naar aanleiding van de onder 2.5 vermelde controle is geconstateerd dat belanghebbende over de periode 1 juli 2017 tot en met 31 december 2019 een bedrag van € 11.301,23 aan verbruiksbelasting niet heeft aangegeven en afgedragen. Verder is geconstateerd dat belanghebbende ten onrechte een bedrag van € 93,24 heeft afgedragen over het door haar gevoerde product ‘koude koffie’.
2.7.
Naar aanleiding van bovenvermelde controle heeft de Inspecteur aan belanghebbende op 1 december 2021 een naheffingsaanslag accijns opgelegd van in totaal € 584.658, bestaande uit een nageheven bedrag van € 522.381 (€ 511.173,26 + € 11.103,23 minus € 93,24) aan verbruiksbelasting, een bedrag van € 47.426 aan in rekening gebrachte belastingrente en een verzuimboete van € 14.851.
2.8.
Belanghebbende heeft in bezwaar CMR-vrachtbrieven overgelegd van de aankopen bij leverancier [Leverancier 10] . Hieruit volgt dat de door [Leverancier 10] geleverde goederen vanuit haar vestigingsplaats, te weten [vestigingsplaats 2] , zijn geleverd aan belanghebbende. Het nageheven bedrag aan verbruiksbelasting is daarom verminderd met een bedrag van € 237.553 tot een bedrag van € 284.828. De in rekening gebrachte belastingrente is dientengevolge verminderd met een bedrag van € 18.092 tot een bedrag van € 29.334. De boete is eveneens verminderd. In de uitspraak op bezwaar staat daarover:
“De verzuimboete van € 14.851,00 is opgelegd op grond van artikel 67c van de AWR. Dat is niet juist. Dat artikel ziet op de situatie waarin voor een belasting die op aangifte moet worden voldaan (of afgedragen) de aangifte wel is gedaan, maar de belasting vervolgens niet is betaald.
Artikel 67b van de AWR ziet daarentegen op de gevallen waarin de vereiste aangifte niet is gedaan. Dat vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een bestuurlijke boete van ten hoogste € 136 kan opleggen.
In § 22 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is bepaald dat ik dan een verzuimboete kan opleggen van 50 procent van dat wettelijk maximum, dus € 68,00.
Belanghebbende dient voor elke dag waarop zij een of meer zendingen alcoholvrije dranken ontvangt een dagaangifte verbruiksbelasting in te dienen.
In de gecontroleerde jaren 2017, 2018 en 2019 heeft belanghebbende blijkens de bijlage bij het controlerapport, van de eerder genoemde 4 leveranciers, respectievelijk 17, 68 en 8 zendingen alcoholvrije dranken ontvangen. Zij heeft dus 93 maal geen aangifte gedaan, ter zake waarvan ik evenzoveel verzuimboeten van € 68,00 kan opleggen met een totaal van € 6.324,00.
Ik acht deze boete passend en geboden. Van een in § 4 van het BBBB bedoeld pleitbaar standpunt, hetgeen u impliciet betoogt, is geen sprake. Zoals ik eerder opmerkte is belanghebbende er immers met de eerdere controlerapporten reeds op gewezen dat zij voor alcoholvrije dranken die vanuit andere lidstaten worden ontvangen, de verbruiksbelasting op aangifte moet voldoen.
Ik verminder de opgelegde boete met € 8.527,00 (€ 14.851,00 - € 6.324,00).”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Beoordeling van het geschil
Wettelijk kader
9. Artikel 1 van Pro de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (de Wet) bepaalt dat een verbruiksbelasting wordt geheven ter zake van de uitslag en de invoer van alcoholvrije dranken.
10. Artikel 4 van Pro de Wet luidt voor zover van belang als volgt:
“1. Als uitslag wordt mede aangemerkt het voorhanden hebben van alcoholvrije dranken waarvan de belasting niet is geheven, door:
a. een ondernemer in het kader van zijn onderneming, anders dan in een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen;
(…)
2. Het eerste lid is, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, niet van toepassing met betrekking tot alcoholvrije dranken die worden vervoerd naar:
a. een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen;
11. Ingevolge artikel 6 van Pro de Wet worden onder alcoholvrije dranken verstaan vruchten- en groentesap, limonade en water, mineraalwater en spuitwater voor zover niet vallend onder GN-code 2201, ook indien zij alcohol bevatten, voor zover zij niet worden aangemerkt als bier, wijn, tussenproducten of overige alcoholhoudende producten in de zin van de Wet op de accijns.
12. Artikel 16, onder a, van de Wet bepaalt dat de belasting wordt geheven van de vergunninghouder van de inrichting.
13. Artikel 17 van Pro de Wet luidt als volgt: “In afwijking van artikel 16 wordt Pro de belasting bij toepassing van artikel 4, eerste lid, geheven van degene die de alcoholvrije dranken voorhanden heeft of enige andere persoon die is betrokken bij het voorhanden hebben ervan.”
14. Ingevolge artikel 18 van Pro de Wet is de belasting verschuldigd op het tijdstip van de uitslag.
15. Artikel 19 van Pro de Wet bepaalt dat in afwijking van artikel 18 de Pro belasting bij toepassing van artikel 4, eerste lid, wordt verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben van de alcoholvrije dranken.
16. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet moet de in een tijdvak verschuldigde belasting op aangifte worden voldaan.
17. Artikel 27, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken bepaalt dat aan de hand van bescheiden de herkomst moet kunnen worden aangetoond van alcoholvrije dranken die worden vervoerd dan wel voorhanden zijn buiten een inrichting of een douane-entrepot.
(…)
Vertrouwensbeginsel
19. Eiseres beroept zich, met verwijzing naar eerdere door verweerder uitgevoerde controles, op het vertrouwensbeginsel. Bij eiseres heeft namelijk over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 een administratieve controle plaats gevonden naar de juistheid en volledigheid van de aangiften accijns- en verbruiksbelasting. Dit heeft geresulteerd in een controlerapport gedateerd 8 november 2017 (controlerapport 2017). In het controlerapport 2017 is onder meer het volgende opgenomen:
“4.2 Volledigheid van de ontvangsten
Aan de hand van de aangiftedossiers, de factuuradministratie en de vastleggingen van de inkoopgegevens in de audit-file, is vastgesteld dat [belanghebbende] in 2015 geen verbruiksbelastinggoederen heeft ontvangen die niet in de heffing van de verbruiksbelasting zijn betrokken.
Conclusie: met uitzondering van de in onderdeel 4.1 geconstateerde onregelmatigheid, zijn alle daartoe in aanmerking komende ontvangsten in 2015 verantwoord in een verbruiksbelastingaangifte.
(…)
4.4
Intracommunautaire transacties (ICT)
De ter beschikking gestelde facturen van de ontvangsten bleken in overeenstemming met de intracommunautaire opgaven van de leveranciers.
Conclusie: bij de beoordeling van de intracommunautaire leveringen binnen de controleperiode zijn geen onregelmatigheden vastgesteld.
4.5
Gecontroleerde bescheiden
De juistheid en volledigheid van de ontvangen accijnsgoederen is gecontroleerd aan de hand van de weekaangiften verbruiksbelasting, de aangiftedossiers van de zendingen verbruiksbelasting, de factuuradministratie, de audit file, het rechtstreeks door de Britse leverancier [Leverancier 2] verstrekte leveringsoverzicht en de overzichten Intracommunautaire Transacties.”
20. Over de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2017 heeft eveneens een administratieve controle plaats gevonden bij eiseres. In het daarbij behorende controlerapport, gedateerd 27 november 2018 (controlerapport 2018), is onder meer het volgende vermeld:
“4.2 Bevindingen 2016
Over het jaar 2016 zijn de volgende onregelmatigheden bevonden:
Vastgesteld is dat [belanghebbende] ten aanzien van zes leveringen met verbruiksbelastinggoederen heeft nagelaten weekaangifte te doen. Er is derhalve sprake van uitslag in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet VB. Ter zake van de uitslag is op grond van artikel 1 van Pro de Wet VB afgerond € 8.992,00 aan verbruiksbelasting verschuldigd. Zie onderstaand correctieoverzicht:
Leverancier
Factuurnr.
Factuurdatum
Ontvangst 2016
Limonade / vruchtensap in hl.
Tarief
Verbruiksbelasting
[Leverancier 1]
[…]
22-12-2015
Week 1
148,68
€ 8.83
€ 1.312,84
[Leverancier 1]
[…]
30-12-2015
Week 1
5,46
€ 8.83
€ 48,21
[Leverancier 3]
[…]
29-03-2016
Week 13
207,77
€ 8.83
€ 1.834,61
[Leverancier 4]
[…]
03-05-2016
Week 18
222,39
€ 8.83
€ 1.963,71
[Leverancier 4]
[…]
28-04-2016
Week 19
222,39
€ 8.83
€ 1.963,71
[Leverancier 5]
[…]
12-07-2016
Week 28
211,68
€ 8.83
€ 1.869,13
Totaal
€ 8.992,00
4.3
Bevindingen 2017
Over de periode 1 januari tot en met 30 juni 2017 zijn geen onregelmatigheden bevonden.”
21. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij ten tijde van de controles over de jaren 2015, 2016 en het eerste halfjaar van 2017 dezelfde werkwijze hanteerde, te weten goederen kopen bij een Nederlandse leverancier en deze rechtstreeks uit een andere EU-lidstaat bij haar te laten afleveren. Verweerder was volgens eiseres op de hoogte van haar werkwijze en heeft gedurende genoemde controles niet medegedeeld dat haar werkwijze tot het verschuldigd zijn van verbruiksbelasting leidde. Zij stelt vertrouwen te kunnen ontlenen aan de controles in 2017 en 2018.
22. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe verweerder in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen[1]. Eiseres is naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in haar bewijslast. Met een verwijzing naar de controlerapporten 2017 en 2018 maakt zij niet aannemelijk dat verweerder een expliciete dan wel impliciete toezegging heeft gedaan dat over onderhavige periode geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er haar onvoldoende feiten en omstandigheden bekend zijn, anders dan de stelling van eiseres, waaruit kan worden afgeleid dat verweerder gedurende de controles van 2017 en 2018 op de hoogte was van de directe leveringen aan eiseres uit andere EU-lidstaten en verweerder bewust van het naheffen van verbruiksbelasting heeft afgezien.
23. Ter zitting heeft eiseres gewezen op een transactie met het Duitse bedrijf [Leverancier 1] in 2015. Eiseres heeft goederen besteld bij [Leverancier 1] voor een klant van haar. Deze goederen zijn rechtstreeks door [Leverancier 1] geleverd aan een Nederlandse afnemer van eiseres. De verschuldigde verbruiksbelasting heeft verweerder bij eiseres nageheven. Op grond hiervan meent eiseres dat zij erop mocht vertrouwen dat goederen die zij bestelt bij een Nederlandse leverancier en die rechtstreeks vanuit een andere EU-lidstaat bij haar worden afgeleverd niet in de heffing zouden worden betrokken. De rechtbank acht deze eerst ter zitting aangevoerde grond voor het bestaan van gerechtvaardigd vertrouwen van eiseres tardief. Verweerder is door het eerst ter zitting aanvoeren van deze grond onvoldoende in de gelegenheid geweest om te beoordelen of zijn handelwijze en/of uitlatingen bij het eerdere boekenonderzoek bij eiseres hebben geleid tot het gerechtvaardigde vertrouwen dat haar handelwijze juist was. Ook de rechtbank kan op basis van hetgeen is gesteld niet beoordelen of met het opleggen van de naheffingsaanslag aan eiseres naar aanleiding van het boekenonderzoek vermeld in rechtsoverweging 20 een (impliciete) toezegging door verweerder is gedaan, waaraan eiseres het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat haar handelwijze juist was.
Verdedigingsbeginsel
24. Verweerder heeft eiseres bij mail van 23 oktober 2020 14 dagen de gelegenheid gegeven om op het concept controlerapport 2020 te reageren. Eiseres neemt het standpunt in dat deze termijn te kort is en verweerder hierdoor in strijd met het verdedigingsbeginsel heeft gehandeld. Bovendien heeft verweerder haar niet gewezen op de mogelijkheid om te verzoeken om een langere reactietermijn. Naar het oordeel van de rechtbank is van schending van het verdedigingsbeginsel geen sprake. Zij overweegt hiertoe het volgende. Eiseres heeft binnen 14 dagen, op 5 november 2020, een reactie op het concept controlerapport aan verweerder gestuurd. Hierin geeft eiseres weliswaar aan dat zij de reactietijd van 14 dagen kort acht, maar heeft zij in haar reactie uitgebreid gereageerd op het concept controlerapport 2020. Bovendien had eiseres expliciet kunnen verzoeken om extra tijd om haar reactie op het rapport te kunnen geven.
(…)
Boete
26. Aan eiseres is over de jaren 2017 tot en met 2019 een verzuimboete opgelegd van € 14.851 op grond van artikel 67c van de Awr en paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). Bij uitspraak op bezwaar van 21 januari 2023 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het opleggen van een verzuimboete op grond van artikel 67c van de Awr niet juist is. Verweerder heeft vervolgens een verzuimboete opgelegd ingevolge artikel 67b van de Awr en paragraaf 22 van het BBBB. Hierbij heeft verweerder berekend dat eiseres 93 maal geen aangifte verbruiksbelasting heeft gedaan en dat hij daarvoor een verzuimboete van in totaal 93 maal € 68 kan opleggen. Vervolgens heeft verweerder de boete verlaagd met een bedrag van € 8.527 tot een bedrag van € 6.324 (93 x € 68). Eiseres heeft in beroep het standpunt ingenomen dat de boete vernietigd dient te worden. Op grond van het derde lid van artikel 67b van de Awr vervalt de bevoegdheid om een boete op te leggen door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan. De naheffingsaanslag heeft betrekking op de periode 2017 tot en met 2019. Nu de naheffingsaanslag op 1 december 2021 is opgelegd vervalt op grond van artikel 67b, derde lid, van de Awr de bevoegdheid om de verzuimboete op te leggen, aldus eiseres. Verweerder komt in beroep terug op zijn in bezwaar ingenomen standpunt. De verzuimboete is, volgens verweerder, oorspronkelijk terecht op grond van artikel 67c van de Awr opgelegd. In het derde lid van artikel 67c van de Awr is bepaald dat de bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De verzuimboete is tijdig opgelegd, aldus verweerder. Verweerder komt hierbij niet terug op de verlaging van de verzuimboete in bezwaar tot een bedrag van € 6.324.
27. De rechtbank is gelet op hetgeen is bepaald in artikel 67b, derde lid, van de Awr van oordeel dat verweerder de verzuimboete niet tijdig heeft opgelegd. De boete moet dan ook worden vernietigd. Verweerders stelling dat alsnog kan worden teruggevallen op artikel 67c van de Awr als boetegrondslag, volgt de rechtbank niet. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich ertegen dat verweerder in de beroepsfase nog in het nadeel van de betrokkene verandering aanbrengt in de kwalificatie van de gedraging, die tot het opleggen van de boete heeft geleid.
Conclusie
28. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 25 en 27 dient het beroep gegrond te worden verklaard.
(…)
Proceskosten
30. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Voor toekenning van een integrale proceskostenvergoeding dan wel toekenning van een wegingsfactor 2 ziet de rechtbank geen aanleiding.
(…)
[1] Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069
Geschil in het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.1.
In het principaal hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag en de verzuimboete ten onrechte aan belanghebbende zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of:
- belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt;
- belanghebbendes beroep op het verdedigingsbeginsel slaagt.
Voorts is in geschil of de Rechtbank een integrale proceskostenvergoeding had moeten toekennen dan wel bij de berekening van de forfaitaire proceskostenvergoeding een wegingsfactor 2 had moeten hanteren.
4.1.2.
In het incidenteel hoger beroep is in geschil of de Rechtbank terecht de boetebeschikking heeft vernietigd.
4.1.3.
Belanghebbende beantwoordt vorenstaande vragen bevestigend; de Inspecteur ontkennend.
4.2.1.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens het oordeel over de immateriële schadevergoeding, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, naheffingsaanslag, beschikking belastingrente en boetebeschikking en tot toekenning van een proceskostenvergoeding.
4.2.2.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens het oordeel over de verzuimboete en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de verzuimboete.

Beoordeling van het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep

Slaagt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel?
5.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat over de onderhavige transacties geen verbruiksbelasting is verschuldigd. Zij voert daartoe aan dat in het kader van controles over de jaren 2015 en 2016 door de Inspecteur niet is medegedeeld dat het betrekken van goederen bij een Nederlandse leverancier, die de goederen vanuit het buitenland laat afleveren bij belanghebbende, leidt tot het verschuldigd worden van verbruiksbelasting door belanghebbende. Zij wijst daarbij ook op de transactie met de Duitse leverancier [Leverancier 1] . Belanghebbende heeft in 2015 goederen bij deze leverancier besteld voor een Nederlandse afnemer van haar. Deze goederen zijn rechtstreeks door [Leverancier 1] afgeleverd bij de Nederlandse afnemer van belanghebbende. De verschuldigde verbruiksbelasting heeft de Inspecteur bij belanghebbende nageheven en niet bij de Nederlandse afnemer.
5.2.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank in punt 19 tot en met 22 van haar uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat door de Inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de Inspecteur over de onderhavige transacties geen naheffingsaanslag verbruiksbelasting zou opleggen. Het Hof voegt daar het volgende aan toe.
5.3.
De Inspecteur heeft in het controlerapport 2017 toegelicht dat verbruiksbelasting moet worden voldaan als verbruiksbelastinggoederen worden ontvangen vanuit een andere EU-lidstaat (zie 2.3). Anders dan belanghebbende stelt, valt uit het controlerapport 2017 en uit het controlerapport 2018 – ook indien deze in samenhang worden bezien – niet een (impliciet) standpunt van de Inspecteur af te leiden dat dit anders is wanneer belanghebbende goederen betrekt van een Nederlandse leverancier, die de goederen vanuit het buitenland laat afleveren bij belanghebbende. Voor zover deze situatie zich voordeed in de periode waarop de controlerapporten betrekking hebben, heeft belanghebbende bovendien niet onderbouwd laat staan aannemelijk gemaakt dat aan de met de controle belaste ambtenaar informatie is verstrekt die van zodanig belang is dat die niet aan zijn aandacht kan zijn ontsnapt, en bovendien de gevolgen voor de belastingheffing van dien aard zijn dat het voor de hand ligt om kritische opmerkingen te maken, zo niet tot naheffing over te gaan (vgl. HR 18 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:BH8148, punt 3.5). Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over de levering door [Leverancier 1] doet aan het voorgaande niet af, omdat ook daaruit niet een (impliciet) standpunt van de Inspecteur valt af te leiden dat belanghebbende over de onderhavige transacties geen verbruiksbelasting verschuldigd is.
5.4.
Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Slaagt belanghebbendes beroep op het verdedigingsbeginsel?
5.5.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur in strijd met het verdedigingsbeginsel heeft gehandeld, omdat hij belanghebbende een termijn van 14 dagen heeft gegeven om te reageren op het conceptcontrolerapport 2020.
5.6.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank in overweging 24 terecht en op goede gronden geoordeeld dat van schending van het verdedigingsbeginsel geen sprake is. Het Hof voegt hieraan toe dat het conceptcontrolerapport op 23 oktober 2020 aan belanghebbende is toegezonden en dat de naheffingsaanslag pas op 1 december 2021 is opgelegd. Belanghebbende heeft ook de (lange) periode tussen het verstrijken van de termijn van 14 dagen tot aan het opleggen van de naheffingsaanslag niet gebruikt voor het geven van een nadere reactie op het conceptcontrolerapport of voor het verzoeken om een langere termijn voor het geven van een nadere reactie. De Inspecteur is bovendien niet gehouden een belastingplichtige te wijzen op de mogelijkheid van het verzoeken om een langere reactietermijn.
5.7.
Het beroep van belanghebbende op het verdedigingsbeginsel slaagt niet.
Heeft de Rechtbank terecht de boetebeschikking vernietigd?
5.8.
De Inspecteur stelt zich in het incidenteel hoger beroep op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte de boetebeschikking heeft vernietigd. Daartoe voert hij aan dat – anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld – bij de uitspraak op bezwaar niet een nieuwe verzuimboete is opgelegd. De Inspecteur heeft getracht de boete bij de uitspraak op bezwaar van een andere grond te voorzien, namelijk artikel 67b in plaats van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Aangezien de boete bij de uitspraak op bezwaar weliswaar is verminderd maar niet is vernietigd, had de Rechtbank moeten beoordelen of de boete op grond van artikel 67c AWR niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. Van het ondubbelzinnig prijsgeven van een standpunt als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BO6786, BNB 2011/72, punt 3.1) is geen sprake, aldus de Inspecteur.
5.9.
Indien bij beschikking een bestuurlijke boete wordt opgelegd, brengt artikel 67g, lid 2, AWR in samenhang gelezen met artikel 5:9, aanhef en onderdeel a, Awb mee dat de belastingplichtige uiterlijk bij de bekendmaking van die beschikking in kennis wordt gesteld van de overtreding alsmede van het overtreden voorschrift. Beide bepalingen strekken ertoe dat het voor de belastingplichtige op dat tijdstip duidelijk is waarvoor hij wordt gestraft, zodat hij zich daartegen adequaat kan verweren (HR 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:704, punt 2.3.1). De Inspecteur heeft de boete op grond van artikel 67c AWR opgelegd. Vervolgens heeft hij in de uitspraak op bezwaar in niet mis te verstane bewoordingen toegelicht dat dit niet juist is en heeft hij de boete opnieuw berekend op grond van artikel 67b AWR (zie 2.8). Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur daarmee het standpunt dat sprake is van een overtreding van het voorschrift van artikel 67c AWR ondubbelzinnig prijsgegeven, zodat hij daar in beroep reeds daarom niet meer op kon terugkomen. Dat de Inspecteur bij het opleggen van de boete en in de bezwaar- en beroepsprocedure steeds wisselend zich beroept op verschillende fiscale boetebepalingen die van elkaar verschillende gedragingen behelzen, is naar het oordeel van het Hof bovendien in strijd met de op grond van artikel 67g, lid 2, AWR in samenhang gelezen met artikel 5:9, aanhef en onderdeel a, Awb vereiste duidelijkheid op welke overtreding en welk overtreden voorschrift de boetebeschikking ziet. Ook indien de Inspecteur het standpunt dat sprake is van een overtreding van het voorschrift van artikel 67c AWR niet ondubbelzinnig zou hebben prijsgegeven, mocht belanghebbende naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar redelijkerwijs aannemen dat haar niet meer werd verweten dat voorschrift te hebben overtreden. De Rechtbank heeft de boete dan ook terecht vernietigd.
5.10.
Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur slaagt niet.
Heeft de Rechtbank een te lage proceskostenvergoeding toegekend?
5.11.
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding dan wel een forfaitaire vergoeding met toepassing van de wegingsfactor 2, omdat de Inspecteur niet zorgvuldig is geweest bij het vaststellen van de belastingrente, de zitting bij de Rechtbank te laat is afgezegd, en de Inspecteur tegen beter weten in heeft gehandeld door in bezwaar de naheffingsaanslag niet te vernietigen wegens schending van het vertrouwensbeginsel. Verder voert belanghebbende aan dat de Rechtbank het bericht over uitstel van de zitting te laat naar de gemachtigde heeft gestuurd, waardoor belanghebbende onnodig kosten heeft gemaakt.
5.12.
Het Hof wijst belanghebbendes verzoek af. De Rechtbank heeft onder de gegeven omstandigheden kunnen beslissen dat geen recht bestaat op een integrale proceskostenvergoeding en dat bij het vaststellen van de forfaitaire proceskostenvergoeding uit kan worden gegaan van wegingsfactor 1. Het Hof vindt in de gedingstukken namelijk geen aanknopingspunten dat de Inspecteur standpunten heeft ingenomen tegen beter weten in. Ook is de zaak niet dermate ingewikkeld dat een hogere wegingsfactor had moeten worden gehanteerd. Het Hof wijst er voorts op dat de klachten tegen de naheffingsaanslag falen, zodat de veroordeling in de proceskosten alleen is veroorzaakt door de vernietiging van de verzuimboete. Belanghebbende verzoekt het Hof de Rechtspraak te veroordelen tot vergoeding van de kosten die zijn gemoeid met de zitting die voor de gemachtigde te laat werd verdaagd. Binnen deze procedure is voor een dergelijke veroordeling geen plaats. Belanghebbende dient zich tot de burgerlijke rechter te wenden.
Slotsom
5.13.
Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten voor het incidenteel hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van de schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 (gewicht van de zaak)). Voor het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding of het toepassen van een hogere wegingsfactor is ook in het kader van het incidenteel hoger beroep geen aanleiding.
6.2.
Er is geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende in incidenteel hoger beroep tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, H.A.J. Kroon en A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra L.D.M.A Reijs
De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.