ECLI:NL:GHDHA:2026:327
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- P.C. van den Brink
- P.J.J. Vonk
- C. Maas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde en afwijzing schending toezendplicht en hoorrecht
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een appartement te Westland vast op €481.000 voor het jaar 2022. Belanghebbende betwistte deze waarde en voerde aan dat de toezendplicht en het hoorrecht waren geschonden, en dat de waarde te hoog was vastgesteld. De Rechtbank wees het beroep af en het Gerechtshof bevestigt deze uitspraak.
In de procedure werd vastgesteld dat de heffingsambtenaar voldoende informatie had verstrekt om de vastgestelde waarde te onderbouwen, waaronder een taxatieverslag en een matrix met vergelijkingsobjecten. De klacht dat nieuwe referentieobjecten pas in de uitspraak op bezwaar werden genoemd, faalde omdat deze niet ten grondslag lagen aan de waarde. Ook was er geen schending van het hoorrecht, omdat de aanvullende referentieverkopen slechts de reeds ingenomen standpunten bevestigden.
De door belanghebbende aangevoerde waarderingspunten, zoals het ontbreken van correcties voor balkons en loggia’s en de staat van het appartement, werden onvoldoende onderbouwd. De bewijslast hiervoor lag bij belanghebbende, die niet slaagde in het aannemelijk maken van een lagere waarde. Het Hof concludeerde dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was en dat het motiveringsbeginsel niet was geschonden.
De procedure werd voortgezet door de erfgenamen na het overlijden van belanghebbende. De mondelinge behandeling vond plaats zonder aanwezigheid van belanghebbende, die niet om uitstel had verzocht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde en wijst het hoger beroep af wegens onvoldoende bewijs van schendingen.