ECLI:NL:GHDHA:2026:2325

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
200.340.512/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 3:36 BWArt. 3:239 lid 1 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over pandrecht Rabobank op doorverkochte debiteurenvorderingen

Rabobank financierde een groep ondernemingen (DP-groep) die debiteurenportefeuilles aankocht en deels doorverkocht aan de Fondsen, die financierden via obligaties. Rabobank stelde dat zij een eerste pandrecht had op alle vorderingen van de DP-groep, inclusief de doorverkochte debiteurenvorderingen, en vorderde een verklaring voor recht. De rechtbank wees dit toe en het hof bekrachtigt dit vonnis.

De Fondsen betwistten dat de debiteurenvorderingen aan Rabobank waren verpand en stelden dat het pandrecht voorwaardelijk was en verviel bij doorverkoop. Het hof oordeelde dat de Financieringsovereenkomst en pandakte duidelijk en ruim zijn geformuleerd en dat Rabobank gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een onvoorwaardelijk pandrecht op alle vorderingen, inclusief de debiteurenvorderingen.

De Fondsen voerden ook aan dat Rabobank afstand had gedaan van haar pandrecht door jarenlang stilzitten en dat de debiteurenvorderingen als voorraad moesten worden aangemerkt, wat het pandrecht zou doen vervallen. Het hof verwierp deze grieven en oordeelde dat Rabobank het pandrecht terecht uitoefent en dat de debiteurenvorderingen niet als voorraad kwalificeren.

Verder werd het beroep van de Fondsen op redelijkheid en billijkheid en gerechtvaardigd vertrouwen verworpen. Het hof veroordeelde de Fondsen in de proceskosten en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Rabobank een eerste pandrecht heeft op de debiteurenvorderingen en veroordeelt de Fondsen in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.340.512/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/646858 / HA ZA 22-870
Arrest van 21 juli 2026
in de zaak van

1.CE Credit Management III B.V.,

gevestigd in Barendrecht,
2.
CE Credit Management IV B.V.,
gevestigd in Barendrecht,
appellanten,
advocaat: mr. J.P.M. Borsboom, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
Coöperatieve Rabobank U.A.,
gevestigd in Utrecht,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.M. Vermaire, kantoorhoudend in Utrecht.
Het hof noemt partijen hierna de Fondsen en Rabobank.

1.De zaak in het kort

Een door Rabobank gefinancierde groep van ondernemingen heeft in het kader van haar bedrijfsuitoefening debiteurenportefeuilles gekocht. Een gedeelte van deze vorderingen heeft de groep doorverkocht aan de Fondsen. De Fondsen betaalden die vorderingen met geld dat was verkregen door de uitgifte van obligaties. De Fondsen hebben aan de obligatiehouders meegedeeld dat een eerste pandrecht ten gunste van hen zou worden gevestigd op de vorderingen. Volgens Rabobank rustte op de vorderingen echter reeds een eerste pandrecht ten gunste van haar en zij wil een verklaring voor recht die dat bevestigt.
De rechtbank heeft de gevraagde verklaring voor recht toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 29 december 2023, waarmee de Fondsen in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2023;
  • de memorie van grieven van de Fondsen, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van Rabobank, met bijlagen;
  • de bijlagen 25 tot en met 29 die de Fondsen ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.
2.2
Op 2 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.15 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen.
Grief 1houdt in dat deze feiten (en hetgeen opgenomen in rov. 4.1 van het vonnis) onjuist, onvolledig en eenzijdig zijn vastgesteld.
3.2
Het hof zal de stellingen van de Fondsen in (de toelichting op) grief 1 in aanmerking nemen bij de bespreking van de overige grieven, voor zover deze stellingen van belang zijn voor de beoordeling van het geschil in hoger beroep. De grief kan echter niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Uit hetgeen door de Fondsen ter onderbouwing van hun grief is aangevoerd, blijkt niet dat de feiten onjuist zijn. De omstandigheid dat de opsomming van de feiten in de optiek van de Fondsen onvolledig is, doet aan de juistheid van die feiten niet af. De rechtbank is ook niet gehouden een volledige opsomming te geven van alle (onbetwiste) feiten. Dat de Fondsen een bepaalde uitleg of waardering van die feiten voorstaan die afwijkt van de uitleg of waardering door de rechtbank, betekent evenmin dat deze feiten, zoals vastgesteld, onjuist zijn. Het hof zal die feiten dan ook tot uitgangspunt nemen. Voor zover in hoger beroep nog van belang, en waar nodig aangevuld, luiden deze als volgt.
3.3
Tussen Rabobank en een groep van - inmiddels grotendeels failliete - ondernemingen (hierna: de DP-groep) bestond vanaf circa september 2009 een financieringsrelatie. De DP-groep hield zich sinds 2006 bezig met het aankopen en vervolgens uitwinnen van debiteurenportefeuilles met vorderingen op consumenten.
3.4
De laatste (her)financieringsovereenkomst tussen Rabobank en de DP-groep dateert van 14 oktober 2020 (hierna: de Financieringsovereenkomst). Op basis van de Financieringsovereenkomst heeft Rabobank een krediet van 20 miljoen euro verstrekt aan de DP-groep. De financiering had een looptijd tot 31 december 2021.
3.5
Artikel 3, 4 en 5 van de Financieringsovereenkomst luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
“3. DE ZEKERHEDEN
Welke zekerheden vragen wij?
U of een ander geeft ons één of meer zekerheden. Geeft een ander zekerheid? Dan zorgt u ervoor dat dit ook gebeurt. Hieronder staat welke zekerheden worden gegeven.
Pandrechten
Een pandrecht op:
- alle huidige en toekomstige bedrijfsmiddelen van u; en
- alle huidige en toekomstige rechten/vorderingen van u met alle rechten en zekerheden die samenhangen met deze rechten/vorderingen, waaronder ook alle rechten uit verzekeringsovereenkomsten.
Het pandrecht is een eerste pandrecht. Dat is anders als hiervoor is vermeld dat op het onderpand al een ouder pandrecht voor een ander rust. Ook eventuele bestaande pandrechten van ons blijven in stand. U verklaart dat op dit onderpand geen andere beperkte rechten, geen gebruiksrechten en geen beslagen rusten dan hiervoor vermeld. U kunt daarbij bijvoorbeeld ook denken aan een vruchtgebruik voor een ander.
De Algemene voorwaarden voor verpanding van de Rabobank voor zakelijke financieringen 2020 zijn van toepassing op het pandrecht.
Wat geldt verder nog?
Vestigen van zekerheden bij deze overeenkomst
U vestigt hierbij de zekerheden die in de algemene voorwaarden en in de Algemene Bankvoorwaarden staan beschreven. Bijvoorbeeld een pandrecht op een vordering, zoals een vergoedingsrecht dat u op elkaar heeft. (…)
Waarvoor gelden de zekerheden?
Alle zekerheden die u of een ander vestigt, gelden voor alle schulden van ieder van u aan ons. Dit kunnen schulden zijn die u nu al heeft of later kunt hebben. Zowel in verband met deze overeenkomst als uit een andere rechtsverhouding tussen u en ons. Dat is anders als dat hiervoor bij een zekerheid concreet is vermeld.(…)
4. WAT SPREKEN WIJ VERDER MET U AF?
(…)
Financiële informatie
(…)
U geeft ons elk kalenderkwartaal de volgende informatie:
- (…)
- een lijst op hoofdlijnen met vorderingen c.q. specificatie van klantportefeuilles die vallen onder het pandrecht, zowel belast als onbelast.(…)
5. AFSPRAKEN OVER CONVENANTEN
(…)
De Dekkingsgraad test berekenen wij op de volgende manier:
Kredietlimiet gedeeld door de som van het onbelaste deel van de portefeuilles vorderingen, waarbij de portefeuilles vorderingen gewaardeerd worden tegen de nominale waarde plus kosten min ontvangen betalingen.”
3.6
Op 14 oktober 2020 heeft de DP-groep aan Rabobank een pandrecht verstrekt. De betreffende pandakte is op 20 oktober 2020 geregistreerd en vermeldt het volgende:
“Onderpand
U vestigt het pandrecht op:
- al uw huidige en toekomstige bedrijfsmiddelen
- uw huidige en toekomstige rechten/vorderingen van u met alle rechten en zekerheden die samenhangen met deze rechten/vorderingen, waaronder ook alle rechten uit verzekeringsovereenkomsten.
(…)
Volmacht
U geeft ons hierbij volmacht om alle rechten en bevoegdheden uit te oefenen die wij op basis van deze pandakte en de geldende algemene voorwaarden krijgen. Met deze volmacht mogen wij bijvoorbeeld het pandrecht namens u vestigen door uw toekomstige goederen aan onszelf te verpanden. In de algemene voorwaarden voor verpanding van de Rabobank voor zakelijke financieringen die gelden leest u meer over deze volmacht.”
3.7
Op de onder 3.6 bedoelde verpanding zijn de Algemene voorwaarden voor verpanding van de Rabobank voor zakelijke financieringen 2020 (hierna: de AV Verpanding 2020) van toepassing. De AV Verpanding 2020 luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
“HOOFDSTUK 1WAT BEDOELEN WIJ MET BEPAALDE WOORDEN
(…)
Goed/Goederen: alle zaken en alle vermogensrechten. Bijvoorbeeld bedrijfsmiddelen en voorraden. Maar bijvoorbeeld ook vorderingen en immateriële activa zoals merken.
Voorraden: alle voorraden van uw bedrijf. Bijvoorbeeld grondstoffen, halffabrikaten, land- en tuinbouwproducten, geld, geldwaarden en crypto valuta.
HOOFDSTUK 3
WAT GELDT VOOR EEN PANDRECHT OP BEPAALDE ONDERPANDEN
(…)
18 Wat geldt voor een pandrecht op roerende zaken (bijvoorbeeld transportmiddelen, voorraden, dieren, land- en tuinbouwproducten, glasopstanden en installaties)
(…)
4 Heeft u voorraden verpand? Dan mag u deze verkopen. Maar dan alleen als dit voor normale bedrijfsuitoefening nodig is en tegen marktconforme voorwaarden. Verder moet u daarbij het volgende doen:
- het eigendom van het onderpand voorbehouden tot het moment dat de koper aan al zijn verplichtingen tegenover u heeft voldaan
- al uw vorderingen op de koper aan ons verpanden. Dit pandrecht wordt aan ons gegeven in de pandakte, en
- de koper vragen betalingen te doen op een rekening van u bij ons. Wij mogen bepalen welke rekening. Betaalt de koper toch op een andere manier? Zet het bedrag dan op een rekening van u bij ons. Of op de rekening bij ons die wij aanwijzen.
19 Wat geldt voor een pandrecht op vorderingen
(...)
Heeft u al uw huidige en toekomstige vorderingen verpand? (…) Vorderingen uit stamrechten, pensioenovereenkomsten en lijfrenten in box 1 vallen niet onder het pandrecht. Net als vorderingen die niet verpandbaar zijn. Alle andere vorderingen die u heeft en krijgt zijn aan ons verpand (…)
Heeft u al uw huidige en toekomstige vorderingen verpand? Dan mag u de verpande vorderingen innen en verrekenen in het kader van de normale bedrijfsuitoefening.”
3.8
Bij eerdere pandaktes met registratiedata 30 november 2010, 29 oktober 2012 en 25 maart 2014 hebben met de verpanding van 14 oktober 2020 (zie hiervoor onder 3.6) vergelijkbare verpandingen plaatsgevonden. Ook in die aktes was een volmacht opgenomen vergelijkbaar met de volmacht in de pandakte van 14 oktober 2020.
3.9
Rabobank heeft op basis van de aan haar in de pandaktes verleende volmacht dagelijks alle vorderingen van de DP-groep op derden aan zichzelf verpand met een verzamelpandakte.
3.1
Vanwege haar behoefte aan aanvullende financiering en de door Rabobank aan haar financieringsbereidheid gestelde grenzen, heeft de DP-groep een aantal fondsen opgericht, waaronder de Fondsen. Fonds 3 is in 2014 opgericht en Fonds 4 in 2017. De Fondsen hebben via de uitgifte van obligatieleningen externe financiering aangetrokken om de verdere aankoop van debiteurenportefeuilles mogelijk te maken. Daarbij werden tussen de Fondsen en Direct Pay Services B.V. (onderdeel van de DP-groep; hierna: DP Services) “Service Level Agreements” (hierna: de SLA’s) gesloten waarbij DP Services werd belast met het aankopen, het uitwinnen en het beheren van debiteurenportefeuilles van de Fondsen. De SLA’s bevatten in dit kader ook volmachten voor DP Services. In de praktijk kwam het erop neer dat DP Services debiteurenportefeuilles kocht waarvan, na een selectie door DP Services, een deel werd doorverkocht (en via stille cessie geleverd) aan de Fondsen. De doorverkochte vorderingen zullen hierna worden aangeduid als de Debiteurenvorderingen.
3.11
In de informatiememoranda van de onder 3.10 bedoelde obligatie-uitgiftes is opgenomen dat ten gunste van de obligatiehouders een pandrecht eerste in rang wordt gevestigd op de door de Fondsen verkregen debiteurenportefeuilles. Het informatiememorandum van 23 juni 2017 vermeldt over het aankoopproces van de Debiteurenvorderingen het volgende (p. 41):
“1. De Servicer (DP Services; toevoeging hof) koopt voor zichzelf op basis van cessie debiteurenportefeuilles aan van derden;
2, De Servicer kan ook namens de Uitgevende Instelling (de Fondsen; toevoeging hof), op basis van een volmacht, bepaalde Debiteurenportefeuilles die aan de hiervoor bedoelde investeringscriteria voldoen aankopen.”
3.12
Op 9 november 2015 heeft Rabobank het volgende gemaild aan de DP-groep:
“Verzoek weer attentie voor het kwartaaldossier:
Per kwartaal, uiterlijk de 14e van de eerste maand van het kwartaal:
• Beoordelingsverklaring van de pandlijsten, getekend door [naam 1] . Met [naam 2] enige weken geleden telefonisch afgesproken daar in oktober mee te wachten tot de lijsten van november in verband met het overdragen van vorderingen vanuit Direct Pay aan SPV's. Na de overdracht is de vorderingenbase weer inzichtelijk. Graag ontvangen we de beoordelingsverklaring dan ook met de pandlijsten per 9-11-2015;”
3.13
In reactie op een vraag van Rabobank hoe de interactie tussen de Fondsen en de door Rabobank verstrekte financiering is, is namens de DP-groep bij mail van 17 oktober 2019 als volgt gereageerd:
“De financieringen van de fondsen zijn ringe-fenced hetgeen betekent dat de port [het hof begrijpt, ‘portefeuilles’] ook daadwerkelijk via een stille cessie worden overgedragen. De Servicer doet via een SLA de vorderingen uitwinnen. Dit kun je zien als een service overeenkomst. Er is geen interactie tussen het rabobank krediet en de fondsen anders dan dat de servicer activiteiten via de sla uitvoert voor de fondsen. In financiele termen heeft het rabobank krediet niets te maken met het krediet van de fondsen omdat dit andere port zijn die separaat inzichtelijk zijn in onze back office administratie.”
3.14
In de bijlage bij de e-mail van 17 oktober 2019 van [naam 2] van de DP-groep aan Rabobank, schrijft [naam 2] onder meer het volgende:
“DirectPay [onderdeel van de DP-groep, hof] verkrijgt haar vorderingen middels koop (cessie) van haar klanten. (…) Niet alle vorderingen kunnen worden verkocht aan de fondsen. (…) Al deze vorderingen maken in beginsel onderdeel uit van de Rabobank base. Naast deze vorderingen bevat de base tevens de nog niet verkochte vorderingen / portefeuilles aan de fondsen, alsmede (…).
3.15
In december 2021 hebben Rabobank en de DP-groep overleg gevoerd over verlenging van de financiering. In dat kader heeft Rabobank op 3 december 2021 een voorstel gedaan. Zij stelt daarin onder meer het volgende voor:
“U geeft Rabobank een pandrecht tweede in rang (na de obligatiehouders) op de vorderingen van CE Credit Management IV B.V.”
3.16
De DP-groep heeft het door Rabobank verstrekte krediet niet op de einddatum (31 december 2021) afgelost.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Rabobank heeft (onder meer) de Fondsen gedagvaard en – verkort weergegeven en voor zover in dit hoger beroep nog relevant – gevorderd, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
1. voor recht te verklaren dat op de Debiteurenvorderingen een eerste pandrecht rust ten gunste van Rabobank;
2. de Fondsen hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na datum vonnis en vervolgens op het eerste verzoek van Rabobank na het verstrijken van telkens minimaal vier weken nadat aan een eerder verzoek is voldaan, aan Rabobank een opgave te verstrekken van de huidige debiteuren van de Fondsen, alsmede de mutaties in deze gegevens ten opzichte van de voorgaande periode van vier weken zijn opgenomen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 50.000,- per dag;
3. de Fondsen en de DP-groep hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2
De rechtbank heeft de door Rabobank gevorderde verklaring voor recht, alsmede de vordering tot informatieverstrekking - voor een periode van één jaar en beperkt tot de Debiteurenvorderingen - toegewezen. Zij heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 10.000,- per dag, tot een maximum van € 1.000.000,-, en de Fondsen (hoofdelijk met de overige gedaagden) in de proceskosten veroordeeld.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
De Fondsen vorderen dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis gewezen tussen de Fondsen en Rabobank zal vernietigen, en de vorderingen van Rabobank jegens de Fondsen zal afwijzen, met veroordeling van Rabobank in de proceskosten in beide instanties.
5.2
Rabobank concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van de Fondsen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
De vragen die in hoger beroep moeten worden beantwoord zijn of de DP-groep de Debiteurenvorderingen aan Rabobank heeft verpand en als dat zo is, of Rabobank daar jegens de Fondsen een beroep op kan doen.
6.2
Rabobank stelt dat zij een eerste pandrecht heeft op de Debiteurenvorderingen. Zij voert aan dat in de Financieringsovereenkomst en de pandakte is opgenomen dat het pandrecht van Rabobank is gevestigd op ‘alle huidige en toekomstige rechten/vorderingen met alle rechten en zekerheden die samenhangen met deze rechten/vorderingen’. Zij heeft alle vorderingen van de DP-groep op derden dagelijks aan zichzelf verpand door middel van een verzamelpandakte, op basis van de in de pandakte opgenomen onherroepelijke en onbeperkte volmacht van de DP-groep om alle rechten en bevoegdheden uit te oefenen die Rabobank op basis van de pandakte en de geldende voorwaarden heeft. Op basis van de AV Verpanding 2020 kan het onderpand slechts worden overgedragen met toestemming van Rabobank en eindigt het pandrecht pas na afstand of opzegging.
6.3
De Fondsen betwisten niet dat met de pandakte en de verzamelpandakte aan de formele vormvereisten voor het vestigen van een stil pandrecht op de Debiteurenvorderingen (artikel 3:239 lid 1 BW Pro) is voldaan. Volgens de Fondsen hebben Rabobank en de DP-groep echter niet bedoeld dat de Debiteurenvorderingen aan Rabobank werden verpand. In de visie van de Fondsen moet de Financieringsovereenkomst zo worden uitgelegd dat de Debiteurenvorderingen niet aan Rabobank zijn verpand. Subsidiair betogen zij dat het pandrecht voorwaardelijk was, en dat dat bij doorlevering van de Debiteurenvorderingen aan de Fondsen kwam te vervallen.
Uitleg financieringsdocumentatie
6.4
Het hof stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of partijen de bedoeling hebben gehad dat de Debiteurenvorderingen (onvoorwaardelijk) aan Rabobank zouden worden verpand, de Financieringsovereenkomst [1] , en de pandakte [2] , moeten worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf [3] . Het komt daarbij aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij daaromtrent redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook gedragingen die plaats hebben gevonden na het aangaan van een overeenkomst kunnen een rol spelen bij de uitleg daarvan [4] .
6.5
In de Financieringsovereenkomst en in de pandakte is opgenomen dat alle huidige en toekomstige vorderingen van de DP-groep aan Rabobank worden verpand. Het uitgangspunt is dus dat dat de bedoeling is geweest van partijen. Het argument van de Fondsen dat de betreffende bepaling een standaardtekst is maakt dat niet anders. De DP-groep maakte haar bedrijf van de handel in vorderingen, en mocht dus bekend worden geacht met die bepaling, die ook al was opgenomen in eerdere versies van de financieringsdocumentatie, en de gevolgen daarvan, zoals het goederenrechtelijk effect dat de vorderingen bij overdracht met het pandrecht bezwaard bleven. Van de DP-groep mocht verwacht worden dat zij, indien zij ten aanzien van de Debiteurenvorderingen een andere regeling had gewild, de Financieringsovereenkomst en de pandakte daarop aan had laten passen.
6.6
Voorts is relevant dat bij de uitleg van een pandakte tot uitgangspunt kan dienen dat, behoudens aanwijzingen voor een andere uitleg, een zo ruim mogelijke zekerheidstelling is beoogd [5] . Het standpunt van de Fondsen dat dit uitgangspunt niet geldt voor de bepaling in de Financieringsovereenkomst, en daarom in dit geval niet relevant is, volgt het hof niet. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom de uitleg van de betreffende bepaling in de Financieringsovereenkomst anders zou zijn dan van die in de pandakte, nu de bewoordingen – voor zover relevant – gelijk zijn en de twee documenten op dezelfde dag zijn getekend.
6.7
Gelet op het vorenstaande en gelet op de ruime bewoordingen van zowel de Financieringsovereenkomst als de pandakte (‘alle huidige en toekomstige rechten/vorderingen met alle rechten en zekerheden die samenhangen met deze rechten/vorderingen’), mocht Rabobank er redelijkerwijs vanuit gaan dat de Fondsen hebben begrepen dat het de bedoeling van Rabobank was dat de Fondsen al hun vorderingen – dus ook de Debiteurenvorderingen – aan Rabobank zouden verpanden.
6.8
De feiten en omstandigheden die door de Fondsen naar voren zijn gebracht ter onderbouwing van de door hen voorgestane afwijkende uitleg, leggen onvoldoende gewicht in de schaal om de bepaling in de pandakte en de Financieringsovereenkomst dat alle vorderingen zullen worden verpand, anders uit te leggen. Het hof licht dat als volgt toe.
6.9
De Fondsen voeren aan dat Rabobank bekend was met de werkwijze van de DP-groep, waarbij het de bedoeling was dat de obligatiehouders een eerste pandrecht op de Debiteurenvorderingen zouden krijgen. Rabobank wist ook dat de Debiteurenvorderingen via het vermogen van de DP-groep in dat van de Fondsen terecht zouden komen. Volgens de Fondsen blijkt dit uit documentatie met betrekking tot de Fondsen die door de DP-groep aan Rabobank is gestuurd (zoals informatiememoranda, de SLA’s en een rating report), en e-mailcorrespondentie tussen de DP-groep en Rabobank (waaronder de hiervoor onder 3.12, 3.13 en 3.14 aangehaalde e-mails). Daarnaast wijzen zij op een door Rabobank opgestelde (concept) pandakte uit december 2021 (zie 3.15) waarin is opgenomen dat Fonds IV aan Rabobank een pandrecht tweede in rang (na de obligatiehouders) verleent op de vorderingen van Fonds IV.
6.1
Rabobank erkent dat zij informatie heeft ontvangen waaruit kon worden opgemaakt dat het de bedoeling was dat de Fondsen een eerste pandrecht op de Debiteurenvorderingen ten behoeve van de obligatiehouders zouden vestigen. Rabobank zegt er echter van uit te zijn gegaan dat de Debiteurenvorderingen rechtstreeks door de Fondsen werden verkregen, en niet eerst in het vermogen van de DP-groep vielen. Zij voert aan dat in de informatiememoranda en SLA’s de mogelijkheid is opgenomen dat DP Services op basis van een volmacht vorderingen voor de Fondsen kon aankopen. Als van die mogelijkheid gebruik werd gemaakt, passeerden de vorderingen niet het vermogen van de DP-groep en konden de obligatiehouders een eerste pandrecht verkrijgen zonder in strijd te komen met het pandrecht van Rabobank. Bovendien kon de DP-groep aan Rabobank vrijgave van de pandrechten verzoeken. Uit een door haar overgelegd vrijgaveverzoek blijkt dat daar in het verleden ook gebruik van is gemaakt. Het bestaan van die mogelijkheden voor de Fondsen om onbezwaarde vorderingen te verkrijgen, verklaart volgens Rabobank dat zij niet heeft gereageerd op de met haar gedeelde documentatie waaruit bleek dat er op de Debiteurenvorderingen een eerste pandrecht zou worden gevestigd ten behoeve van de obligatiehouders en waarom zij om een tweede pandrecht verzocht. Dat de Debiteurenvorderingen eerst in het vermogen van de DP-groep vielen, kon volgens Rabobank uit de door de Fondsen aangehaalde documenten niet worden opgemaakt. Het vermoeden dat die route door de DP-groep werd bewandeld, ontstond bij Rabobank pas na de ontvangst, op 9 januari 2022, van de SLA’s. Vanaf dat moment heeft zij aanspraak gemaakt op het eerste pandrecht op de Debiteurenvorderingen.
6.11
Het hof volgt de Fondsen in zoverre in hun standpunt dat (in ieder geval) uit de bijlage bij de e-mail van 17 oktober 2019 (zie 3.14) afgeleid kan worden dat er vorderingen via het vermogen van de DP-groep in dat van de Fondsen terecht zouden komen; daar wordt immers gesproken over de koop (cessie) van vorderingen door (een onderneming behorende tot) de DP-groep, waarvan een deel kan worden verkocht aan de Fondsen. Ook wordt daar de mogelijkheid genoemd van terugkoop (retro-cessie) door de DP-groep van vorderingen van de Fondsen.
6.12
Dat Rabobank had kunnen weten dat de DP-groep vorderingen zou (kunnen) aankopen en vervolgens zou doorverkopen aan de Fondsen, is echter onvoldoende om tot de conclusie te komen dat Rabobank heeft beoogd de Debiteurenvorderingen van het in de pandakte opgenomen pandrecht uit te sluiten of dat de Fondsen redelijkerwijs erop mochten vertrouwen dat Rabobank dat had beoogd.
6.13
Daarvoor is niet alleen van belang dat de uitsluiting van de Debiteurenvorderingen in strijd is met de tekst van de Financieringsovereenkomst en de pandakte maar ook dat uit de Informatiememoranda volgt dat de DP-groep de mogelijkheid had om op basis van een volmacht vorderingen te kopen in naam van de Fondsen. De DP-groep heeft op enig moment beslist dat de Debiteurenvorderingen eerst door haar zouden worden gekocht en niet rechtstreeks door de Fondsen. Gezien de duidelijke tekst van de Financieringsovereenkomst en de pandakte had het voor de hand gelegen dat de DP-groep op dat moment, of in elk geval bij het aangaan van de eerstvolgende pandakte, Rabobank vroeg om aanpassing van de (standaard) pandakte, zodat de door de DP-groep kennelijk gewenste uitsluiting van de Debiteurenvorderingen werd gerealiseerd. Zij heeft dat echter niet gedaan; de Fondsen hebben ook niet gesteld dat de DP-groep en Rabobank op enig moment hebben gesproken over de wens van de DP-groep om de verpanding van de Debiteurenvorderingen aan Rabobank uit te sluiten. Daar komt nog bij dat op het moment dat de DP-groep vorderingen in haar vermogen kreeg, nog niet duidelijk was welke vorderingen zouden worden overgedragen aan de Fondsen. In de uitleg die de Fondsen aan de pandakte geven, zou het onduidelijk zijn op welke vorderingen wel en op welke vorderingen geen pandrecht zou komen te rusten. Dat maakt de uitleg van de Fondsen onaannemelijk. Gelet op deze omstandigheden mocht Rabobank erop vertrouwen dat zij (nog steeds) een pandrecht verkreeg op
allevorderingen van de DP-groep en kon de DP-groep er (dus) redelijkerwijze niet op vertrouwen dat Rabobank de Debiteurenvorderingen wilde uitsluiten van haar pandrecht. Dit geldt ook voor de subsidiaire stelling van de Fondsen dat het pandrecht van Rabobank voorwaardelijk was, en dat dat bij doorlevering van de Debiteurenvorderingen aan de Fondsen kwam te vervallen. Dat Rabobank een dergelijke constructie heeft beoogd of dat Rabobank bij de DP-groep het vertrouwen heeft gewekt dat zij een dergelijke constructie zou willen overeenkomen, blijkt nergens uit.
6.14
Het feit dat, zoals door de Fondsen aangevoerd, de convenanten door de DP-groep werden getest zonder de Debiteurenvorderingen, waartegen door Rabobank niet is geprotesteerd en dat Rabobank de dekkingsgraad zelf berekende zonder rekening te houden met de Debiteurenvorderingen, kan dan evenmin leiden tot de door de Fondsen beoogde uitleg van de pandakte. Wanneer Rabobank, zoals zij heeft aangevoerd, uitging van de door de DP-groep aangeleverde gegevens, mocht de DP-groep uit het niet meenemen van de Debiteurenvorderingen in de berekeningen niet afleiden dat Rabobank bereid was om af te zien van het pandrecht op de Debiteurenvorderingen.
6.15
Tot slot volgt volgens de Fondsen uit het in de Financieringsovereenkomst gemaakte onderscheid tussen een ‘belast’ deel en een ‘onbelast’ deel van de vorderingen (onder meer in de bepalingen over de informatieverplichtingen en de dekkingsgraad), dat de Debiteurenvorderingen niet onder het pandrecht van Rabobank vallen. In de visie van de Fondsen worden met de belaste vorderingen de Debiteurenvorderingen bedoeld en blijkt daaruit dus dat Rabobank geen pandrecht heeft gewild. Het hof volgt de Fondsen niet in die redenering. Dat Rabobank (ten onrechte) dacht dat er onder de betreffende vorderingen, ook vorderingen konden vallen die al belast waren, rechtvaardigt in de gegeven omstandigheden niet de conclusie dat zij, waar mogelijk, geen pandrecht wilde verkrijgen op de Debiteurenvorderingen. Bovendien blijkt uit artikel 19 van Pro de AV Verpanding 2020 duidelijk dat het pandrecht zag op alle huidige en toekomstige vorderingen (zie hiervoor 3.7), waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen belaste en onbelaste vorderingen.
6.16
De slotsom van het bovenstaande is dat aan de door de Fondsen naar voren gebrachte verklaringen en gedragingen van Rabobank redelijkerwijs niet de betekenis kon worden toegekend dat Rabobank geen pandrecht heeft willen vestigen op de Debiteurenvorderingen, of dat dit slechts een voorwaardelijk pandrecht betrof.
6.17
De grieven 2 en 3 falen.
Wilsvertrouwensleer
6.18
De Fondsen doen voorts een beroep op artikel 3:33 BW Pro. In hun visie heeft aan de Financieringsovereenkomst niet de wil van de DP-groep ten grondslag gelegen om de Debiteurenvorderingen aan Rabobank te verpanden. Zij voeren aan dat dit volgt uit het financieringsmodel en uit het feit dat in de SLA’s is gegarandeerd dat de DP-groep geen belaste of bezwaarde vorderingen zou overdragen. De DP-groep heeft die wil openbaar gemaakt aan de Fondsen, maar ook – door toezending van de SLA’s en informatiememoranda - aan Rabobank.
6.19
Het hof overweegt dat ook indien zou worden vastgesteld dat de bedoelde wil bij de DP-groep ontbrak, dat niet kan leiden tot het door de Fondsen bepleite gevolg dat de verpanding niet heeft plaatsgevonden, ‘althans (subsidiair) dat een voorwaardelijk pandrecht is tot stand is gekomen onder de ontbindende voorwaarde van doorverkoop aan de Fondsen’. De reden hiervoor is dat Rabobank er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de DP-groep de wil had de Debiteurenvorderingen aan Rabobank te verpanden (zie artikel 3:35 BW Pro). Het hof verwijst voor de motivering van dat oordeel naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de uitleg van de Financieringsovereenkomst en de pandakte. Ook bij de beoordeling of Rabobank er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de DP-groep de wil had om de Debiteurenvorderingen te verpanden, komt het aan op de betekenis die partijen redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen.
6.2
De Fondsen hebben (ook) in dit verband nog naar voren gebracht dat het niet de bedoeling kan zijn geweest van Rabobank om een pandrecht op de Debiteurenvorderingen te verkrijgen, omdat die verpanding zou leiden tot een wanverhouding tussen de openstaande financiering door Rabobank en het onderpand. Het hof gaat daar niet in mee. Het valt niet zonder meer in te zien waarom Rabobank niet zou willen dat het onderpand meer waard is dan haar vordering. Bovendien heeft Rabobank - onderbouwd - aangevoerd dat zonder haar pandrecht op de Debiteurenvorderingen, de DP-groep niet zou kunnen voldoen aan de dekkingsgraadtest, als gevolg waarvan Rabobank de financiering elk moment zou kunnen opeisen. Rabobank mocht er op vertrouwen dat dat voor de DP-groep een reden was om een pandrecht op de Debiteurenvorderingen aan Rabobank te verschaffen.
6.21
De conclusie is dat de verpanding van de Debiteurenvorderingen (onvoorwaardelijk) tot stand is gekomen.
Afstand van recht
6.22
De Fondsen hebben in hoger beroep voorts gesteld dat zij er recht op hebben dat Rabobank afstand doet van haar pandrecht op de Debiteurenvorderingen. Zij voeren aan dat Rabobank jarenlang geen aanspraak heeft gemaakt op een pandrecht op de Debiteurenvorderingen en zich juist heeft gedragen alsof zij dat pandrecht niet had, hetgeen met zich brengt dat de DP-groep jegens Rabobank recht heeft op afstand van het pandrecht. Op grond van artikel 6:251 lid 1 BW Pro kunnen de Fondsen ook een beroep doen op het recht van afstand, aldus de Fondsen.
6.23
Het hof overweegt dat, zonder nadere toelichting, die de Fondsen niet hebben gegeven, niet valt in te zien waarom het (gestelde) stilzitten en de (gestelde) gedragingen van Rabobank, op zichzelf genomen, aan de DP-groep het recht geven dat Rabobank afstand doet van haar pandrecht. Het hof komt dus niet toe aan de vraag of dat (gestelde) recht is overgegaan op de Fondsen en verwijst voor het overige naar hetgeen het hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de uitleg van de pandakte en de Financieringsovereenkomst.
Debiteurenvorderingen voorraad?
6.24
De Fondsen hebben nog aangevoerd dat de Debiteurenvorderingen moeten worden aangemerkt als voorraad zodat - op grond van artikel 18 lid 4 AV Pro Verpanding 2020 - enig door Rabobank op die vorderingen gevestigd pandrecht verviel op het moment dat zij aan de Fondsen werden gecedeerd. In de visie van de Fondsen waren de Debiteurenvorderingen feitelijk handelsvoorraad, die in de normale bedrijfsuitoefening werden doorverkocht aan de Fondsen, zodat een redelijke uitleg van het begrip ‘voorraad’ in dit geval inhoudt dat ook de Debiteurenvorderingen daaronder vallen.
Grief 4richt zich tegen (de overwegingen die leiden tot) het oordeel van de rechtbank dat het standpunt van de Fondsen onjuist is en dat vorderingen niet onder de definitie van voorraad vallen. Het hof is het eens met de rechtbank, en maakt haar navolgende overweging (in 4.20 van het vonnis) tot de zijne.
6.25
In de AV Verpanding 2020 wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen vorderingen en voorraden. Weliswaar laat de definitie in de AV Verpanding 2020 ruimte tot het aanmerken van andere goederen dan de aldaar genoemde goederen als voorraden, maar uit de verdere inhoud van de AV Verpanding 2020 volgt dat vorderingen daar niet onder vallen. Voor voorraden geldt ingevolge artikel 18 van Pro de AV Verpanding 2020 dat deze verkocht mogen worden als dat voor een normale bedrijfsuitoefening nodig is. De vorderingen die de pandgever op de koper van de voorraden krijgt, moeten aan de Rabobank verpand worden. Voor vorderingen geldt op grond van artikel 19 van Pro de AV Verpanding 2020 een ander regime. Vorderingen mogen worden geïnd of verrekend in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, mits de schuldenaren van de vorderingen betalen op de door de DP-groep bij Rabobank aangehouden rekening. Hieruit volgt reeds dat vorderingen niet onder de definitie van voorraden te scharen zijn. Voor vorderingen geldt dan ook niet dat zij verkocht mogen worden.
6.26
De Fondsen hebben (ook) in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die nopen tot een andere uitleg van genoemde bepalingen, zodat grief 4 faalt.
6.27
De slotsom van het bovenstaande is dat de Debiteurenvorderingen aan Rabobank zijn verpand.
Beroep op pandrecht onaanvaardbaar?
6.28
De Fondsen hebben een beroep gedaan op artikel 6:248 lid 2 BW Pro. Het beroep van Rabobank op het pandrecht op de Debiteurenvorderingen is volgens de Fondsen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Met
grief 5komen zij op tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank.
6.29
Het hof oordeelt dat het beroep van Rabobank op haar pandrecht op de Debiteurenvorderingen noch onaanvaardbaar is als bedoeld in artikel 6:248 lid Pro 2 (wat er ook zij van de mogelijkheid voor de Fondsen om daar een beroep op te doen, nu zij geen overeenkomst met Rabobank hadden), noch misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro (waar de Fondsen ter zitting in hoger beroep in dit verband een beroep op hebben gedaan). Ter toelichting dient het volgende.
6.3
De Fondsen hebben ter onderbouwing van hun stellingen op dit punt aangevoerd dat Rabobank, terwijl zij wist dat de Debiteurenvorderingen het vermogen van de DP-groep passeerden, steeds heeft gehandeld alsof zij geen pandrecht op de Debiteurenvorderingen had en tot begin 2022 geen pandrecht op de Debiteurenvorderingen heeft gepretendeerd.
6.31
Het hof overweegt als volgt. Uit hetgeen hierboven ten aanzien van de uitleg van de pandakte en de Financieringsovereenkomst is overwogen volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat Rabobank ten tijde van het sluiten van de Financieringsovereenkomst wel degelijk beoogde dat alle vorderingen die op enig moment in het vermogen van de DP-groep zouden komen te vallen aan Rabobank zouden worden verpand. Dat Rabobank zich vervolgens, nadat de DP-groep jegens haar in verzuim is geraakt, op die pandrechten beroept is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar, en vormt evenmin misbruik van bevoegdheid.
6.32
Rabobank heeft er ook niet aan bijgedragen dat de Debiteurenvorderingen niet rechtstreeks, maar via het vermogen van de DP-groep, aan de Fondsen werden verkocht, zodat de Debiteurenvorderingen onder het pandrecht van Rabobank kwamen te vallen. Die wijze van verkrijging was de keuze van de DP-groep. Die had er, bijvoorbeeld, ook voor kunnen kiezen de vorderingen op basis van een volmacht voor de Fondsen aan te kopen. Dat de keuze voor deze indirecte verkrijging door de Fondsen ertoe leidt dat Rabobank een groter gedeelte van haar vorderingen op de DP-groep, ten koste van de Fondsen of de obligatiehouders, kan verhalen, dan zij had kunnen doen als de DP-groep een en ander anders had vormgegeven, maakt het beroep van Rabobank op haar pandrechten niet onaanvaardbaar.
6.33
Grief 5 is ongegrond.
Gerechtvaardigd vertrouwen van de Fondsen
6.34
De Fondsen hebben een beroep gedaan op artikel 3:36 BW Pro (gerechtvaardigd vertrouwen). De rechtbank heeft ook dit beroep verworpen.
Grief 6richt zich tegen dat oordeel.
6.35
In de visie van de Fondsen mochten zij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat Rabobank geen pandrecht pretendeerde op de Debiteurenvorderingen, althans dat het pandrecht na overdracht aan de Fondsen teniet zou gaan. Rabobank heeft, door haar gedragingen en haar stilzitten, volgens de Fondsen jegens hen de schijn gewekt dat zij de Debiteurenvorderingen onbezwaard verkregen. De Fondsen voeren aan dat Rabobank nooit kenbaar heeft gemaakt dat zij een (eerste) pandrecht op de Debiteurenvorderingen wensten en zelfs om een tweede pandrecht op die vorderingen verzocht.
6.36
Het hof overweegt dat als aangenomen wordt dat ook het vertrouwen dat er nooit een rechtsbetrekking heeft bestaan, onder het bereik van artikel 3:36 BW Pro valt, vastgesteld moet worden of er sprake is van uitlatingen of gedragingen van Rabobank waarmee de Fondsen als derden bekend waren en waaruit de Fondsen redelijkerwijze mochten afleiden dat er geen pandrecht ten gunste van Rabobank op de Debiteurenvorderingen bestond.
6.37
De Fondsen voeren aan dat zij geen willekeurige derden zijn. Er zijn nauwe (personele) banden tussen hen en de DP-groep en de Fondsen ‘kunnen dus rechten en verweren ontlenen aan de relatie tussen de DP-groep en Rabobank’. Het hof overweegt dat voor zover de Fondsen daarmee betogen dat de verklaringen en gedragingen van Rabobank tegenover de DP-groep (ook) moeten worden aangemerkt als verklaringen en gedragingen tegenover de Fondsen, en/of dat de Fondsen over dezelfde kennis beschikten als de DP-groep, hen geen beroep toekomt op artikel 3:36 BW Pro. Dit omdat zij er dan niet in redelijkheid op konden vertrouwen dat er geen pandrecht door Rabobank werd gepretendeerd. Dan geldt immers ook voor hen hetgeen hiervoor in het kader van de uitleg van de pandakte en de Financieringsovereenkomst is overwogen over de betekenis die de DP-groep aan de verklaringen en gedragingen van Rabobank mocht toekennen en hetgeen zij daaromtrent redelijkerwijs van Rabobank mocht verwachten.
6.38
Maar ook als de wetenschap van de DP-groep niet aan de Fondsen kan worden toegerekend, slaagt hun beroep op artikel 3:36 BW Pro niet. Daarvoor is het volgende redengevend. De Fondsen hebben de stelling van Rabobank dat er geen rechtstreeks contact is geweest tussen hen, niet weersproken, zodat de door de Fondsen gestelde schijn niet kan zijn gewekt door een uitlating of gedraging van Rabobank naar de Fondsen. Uit het feit dat Rabobank (tot 2022) jegens de Fondsen geen aanspraak maakte op haar eerste pandrecht op de Debiteurenvorderingen en in 2021 verzocht om een tweede pandrecht op die vorderingen, konden de Fondsen niet redelijkerwijze concluderen dat de Debiteurenvorderingen onbezwaard waren. In de geconsolideerde jaarrekening van de DP-groep en de Fondsen 2018 wordt (ook) melding gemaakt van het pandrecht van Rabobank; zij waren daarvan dus op de hoogte. De Fondsen waren er bovendien wél mee bekend dat zij de Debiteurenvorderingen niet rechtstreeks van de debiteuren verkregen, maar van de DP-groep. Ook de Fondsen waren professionele marktpartijen die hun bedrijf maakten van de handel in vorderingen. In die omstandigheden konden zij er, zonder zich er bij Rabobank van vergewist te hebben dat Rabobank inderdaad geen pandrecht op de Debiteurenvorderingen pretendeerde, niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat er geen pandrecht ten gunste van Rabobank op de Debiteurenvorderingen bestond.
6.39
Grief 6 faalt.
6.4
De
zevende griefvan de Fondsen richt zich tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Omdat de Fondsen ook in hoger beroep in het ongelijk worden gesteld, slaagt de grief in zoverre niet. Voor het overige heeft de grief geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom ook geen nadere bespreking.
Conclusie en proceskosten
6.41
De conclusie is dat het hoger beroep van de Fondsen niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal de Fondsen als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.42
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Rabobank op:
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.567,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van 4 oktober 2023 van de rechtbank Rotterdam;
  • veroordeelt de Fondsen in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Rabobank begroot op € 3.567,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de Fondsen deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
  • bepaalt dat als de Fondsen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Fondsen de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de Fondsen deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. P. Volker, mr. C.A. Joustra en mr. A.F.J.A. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.vgl. HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381
2.vgl. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590
3.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158
4.HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572
5.HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:268