Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.CE Credit Management III B.V.,
CE Credit Management IV B.V.,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 29 december 2023, waarmee de Fondsen in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2023;
- de memorie van grieven van de Fondsen, met bijlagen;
- de memorie van antwoord van Rabobank, met bijlagen;
- de bijlagen 25 tot en met 29 die de Fondsen ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
Grief 1houdt in dat deze feiten (en hetgeen opgenomen in rov. 4.1 van het vonnis) onjuist, onvolledig en eenzijdig zijn vastgesteld.
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
allevorderingen van de DP-groep en kon de DP-groep er (dus) redelijkerwijze niet op vertrouwen dat Rabobank de Debiteurenvorderingen wilde uitsluiten van haar pandrecht. Dit geldt ook voor de subsidiaire stelling van de Fondsen dat het pandrecht van Rabobank voorwaardelijk was, en dat dat bij doorlevering van de Debiteurenvorderingen aan de Fondsen kwam te vervallen. Dat Rabobank een dergelijke constructie heeft beoogd of dat Rabobank bij de DP-groep het vertrouwen heeft gewekt dat zij een dergelijke constructie zou willen overeenkomen, blijkt nergens uit.
Grief 4richt zich tegen (de overwegingen die leiden tot) het oordeel van de rechtbank dat het standpunt van de Fondsen onjuist is en dat vorderingen niet onder de definitie van voorraad vallen. Het hof is het eens met de rechtbank, en maakt haar navolgende overweging (in 4.20 van het vonnis) tot de zijne.
grief 5komen zij op tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank.
Grief 6richt zich tegen dat oordeel.
zevende griefvan de Fondsen richt zich tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Omdat de Fondsen ook in hoger beroep in het ongelijk worden gesteld, slaagt de grief in zoverre niet. Voor het overige heeft de grief geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom ook geen nadere bespreking.
.
7.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van 4 oktober 2023 van de rechtbank Rotterdam;
- veroordeelt de Fondsen in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Rabobank begroot op € 3.567,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de Fondsen deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
- bepaalt dat als de Fondsen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Fondsen de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de Fondsen deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.