ECLI:NL:GHDHA:2026:2285

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/637
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 30f AWRArt. 30hb AWRBesluit belasting- en invorderingsrenteBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Berekening en vermindering van belastingrente bij voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2023

Belanghebbende ontving een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over het eerste kwartaal van 2023 met een belastingrente van €1.658. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank werd de belastingrente verlaagd tot €632 en werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De Inspecteur ging in hoger beroep en stelde dat de belastingrente volgens het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 €1.244 moest bedragen. Het Hof volgde dit standpunt en verhoogde de belastingrente tot €1.244, waarbij het ook oordeelde dat belastingrente berekend mag worden over de periode tussen dagtekening aanslag en uiterste betaaldatum.

Daarnaast bevestigde het Hof de vergoeding van verletkosten van €154,50 toegekend door de Rechtbank, ondanks het verweer van de Inspecteur dat het uurloon te hoog was en dat de bestuurder geen bijzondere kosten maakte. Het Hof oordeelde dat de vergoeding passend is en niet gematigd hoeft te worden.

Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd behalve de proceskosten en griffierecht, en de belastingrente verminderd tot €1.244. Er werden geen proceskosten in hoger beroep toegewezen.

Uitkomst: Het Gerechtshof vermindert de belastingrente tot €1.244 en bevestigt de vergoeding van verletkosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/637

Uitspraak van 9 juni 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 juli 2025, nummer SGR 24/4586.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is over de periode 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 325.000. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 1.658 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de belastingrentebeschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift aangemerkt als verzoek om herziening als bedoeld in artikel 27 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Inspecteur heeft het verzoek om herziening afgewezen en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de afwijzing van het verzoek om herziening bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 371 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de afwijzing van het verzoek om herziening van de beschikking belastingrente;
- verlaagt de beschikking belastingrente naar een bedrag van € 632;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 169,26;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.”
1.5.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 6 maart 2026. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 9 maart 2026.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 maart 2026. De Inspecteur is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is een bericht van afmelding ontvangen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
De Inspecteur heeft conform belanghebbendes verzoek een voorlopige aanslag Vpb over de periode 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 325.000. Gelijktijdig is bij de belastingrentebeschikking € 1.658 aan belastingrente in rekening gebracht, als volgt berekend:
Periode
Aantal dagen
Rentepercentage
Rentebedrag
1 oktober 2023 t/m 31 december 2023
90
8%
€ 1.405
1 januari 2024 tot en met 13 januari 2024
13
10%
€ 253
Totaal
€ 1.658

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang in hoger beroep, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“7. Belastingrente wordt in rekening gebracht indien zes maanden na afloop van het einde van het tijdvak waarover Vpb wordt geheven een voorlopige aanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld.[2]
8. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt zes maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de voorlopige aanslag invorderbaar is en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.[3]
9. Het (minimum)percentage belastingrente was tot 1 oktober 2020 neergelegd in artikel 30hb, eerste lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Met ingang van 1 oktober 2020 staat deze in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bbi.
(…)
Conclusie
18. De rechtbank stelt voorop dat het niet de taak van de rechter is om te bepalen wat een evenredig tarief is voor de belastingrente voor de Vpb.[14] Nu eiseres heeft verzocht om herziening van de beschikking tot een bedrag van € 632, zal de rechtbank de beschikking belastingrente verminderen tot dit bedrag. Het beroep is gegrond.
Proceskosten
19. Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken van in totaal € 169,26. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van € 14,76 voor reizen met het openbaar vervoer en om een vergoeding van verletkosten van € 360,50 bestaande uit € 154,50 kosten in verband met het bijwonen van de terechtzitting (gedurende 1,5 uur) en € 206 vanwege het maken van processtukken.
20. Voor de reiskosten kent de rechtbank conform de door eiseres aangeleverde specificatie een bedrag van € 14,76 toe. Bij verletkosten gaat het alleen om kosten van tijdsverzuim voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis en niet ook om voorbereidende handelingen zoals het opstellen van processtukken. Daarom komt het deel van de verletkosten van € 206 vanwege het maken van processtukken niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten van € 154,50 in verband met het bijwonen van de zitting komen wel voor vergoeding in aanmerking.
(…)
[2] Artikel 30f, eerste lid, van de AWR.
[3] Artikel 30f, tweede lid, van de AWR.
(…)
[14] Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, rechtsoverweging 4.4.2 en College van Beroep voor het bedrijfsleven 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, rechtsoverweging 6.5.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de Rechtbank de beschikking belastingrente tot het juiste bedrag heeft vastgesteld en of de Rechtbank de Inspecteur terecht en, zo ja, naar het juiste bedrag heeft veroordeeld tot vergoeding van verletkosten.
4.2.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de beschikking belastingrente tot € 1.244.
4.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Belastingrente
5.1.1.
De Inspecteur stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de beschikking belastingrente moet worden verminderd tot € 632. Met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, bedraagt de belastingrente volgens de Inspecteur € 1.244, als volgt berekend:
Periode
Aantal dagen
Rentepercentage
Rentebedrag
1 oktober 2023 t/m 31 december 2023
90
6%
€ 1.053,75
1 januari 2024 tot en met 13 januari 2024
13
7,5%
€ 190,26
Totaal
€ 1.244
5.1.2.
Het Hof sluit aan bij de in de onderhavige perioden voor andere belastingplichtigen dan Vpb-plichtigen geldende belastingrentepercentages van respectievelijk 6% en 7,5%, zoals neergelegd in het Besluit belasting- en invorderingsrente en conform het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59. Daarbij geldt dat, anders dan belanghebbende stelt, belastingrente kan worden berekend over de periode tussen de dagtekening van een aanslagbiljet en de uiterste datum waarop de desbetreffende belastingaanslag moet zijn betaald, ook in gevallen waarin die aanslag vóór het einde van de betaaltermijn is betaald (HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1673, r.o. 3.3.4). Derhalve volgt het Hof de berekening van de Inspecteur en vermindert het Hof de beschikking belastingrente tot € 1.244.
Verletkosten
5.2.1.
De Inspecteur stelt primair dat de Rechtbank ten onrechte een vergoeding van verletkosten aan belanghebbende heeft toegekend. Volgens de Inspecteur behoort een vergoeding van verletkosten te worden afgewezen als het opgegeven bedrag aan verletkosten niet is onderbouwd met bewijsstukken. Ook behoort in situaties waarin de bestuurder een vennootschap vertegenwoordigt, die vertegenwoordiging tot diens normale werkzaamheden en is dus geen sprake is van bijzondere kosten, aldus de Inspecteur.
5.2.2.
Subsidiair stelt de Inspecteur dat het uurloon van de bestuurder van belanghebbende niet € 103, maar € 41 bedraagt. Volgens de Inspecteur bedraagt de vergoeding van verletkosten derhalve € 62 (1,5 uur x € 41). De Inspecteur verwijst daarbij naar de loonaangiften van belanghebbende ter zake van haar bestuurder.
5.2.3.
Verletkosten zijn kosten van tijdverzuim door bijvoorbeeld vrijaf te moeten nemen voor het bijwonen van een zitting alsmede de heen- en de terugreis. Het gaat niet om tijdverzuim voor voorbereidende handelingen, zoals het lezen of het opstellen van stukken (HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:993, r.o. 2.3). De vergoeding voor verletkosten is in de eerste plaats bedoeld voor de belanghebbende die zelf procedeert.
5.2.4.
Belanghebbendes bestuurder kon in dit geval zijn reguliere werkzaamheden niet uitvoeren in de tijd die hij heeft besteed aan het bijwonen van de zitting bij de Rechtbank en aan de heen- en de terugreis daarnaartoe. Belanghebbende heeft in zoverre hierdoor een (geldelijk) nadeel ondervonden. Naar het oordeel van het Hof is vanuit belanghebbende bezien daarom een vergoeding van verletkosten gerechtvaardigd. De door de Rechtbank toegekende vergoeding van verletkosten is gesteld op € 154,50, zijnde 1,5 uur in verband met het bijwonen van de zitting. Hieruit volgt dat een vergoeding per uur van € 103 is toegepast, die overeenkomt met het maximum zoals volgt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (oude tekst). Het Hof acht een dergelijke vergoeding gepast en ziet geen aanleiding voor een matiging daarvan. Voor zover de Inspecteur stelt dat het uurtarief van belanghebbendes bestuurder niet € 103 maar € 41 bedraagt en de vergoeding om die reden moet worden gematigd, overweegt het Hof dat het uurtarief van belanghebbendes bestuurder niet relevant is voor de vaststelling van de hoogte van de vergoeding van verletkosten, omdat de vergoeding van verletkosten moet worden bezien vanuit het nadeel dat belanghebbende als gevolg van het met de zitting gemoeide tijdverzuim heeft ondervonden. Dat nadeel kan niet zonder meer worden gelijkgesteld aan het gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder dat kan worden toegerekend aan het tijdsverzuim, maar kan bijvoorbeeld ook samenhangen met door belanghebbende gederfde opbrengsten. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding voor vermindering van de door de Rechtbank toegekende vergoeding van verletkosten. Het standpunt van de Inspecteur faalt.
Slotsom
5.3.
Het hoger beroep is, gelet op het oordeel in 5.1.2, gegrond. Wel ziet het Hof in de door de Inspecteur in de hogerberoepsfase bepleite vernietiging van de uitspraak op bezwaar aanleiding om de beslissingen van de Rechtbank aangaande de proceskosten en het in beroep betaalde griffierecht in stand te laten.

Proceskosten en griffierecht

6. Er is geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten voor de procedure in hoger beroep.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen ter zake van de proceskosten en het griffierecht;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de afwijzing van het verzoek om herziening van de belastingrentebeschikking; en
  • vermindert de in rekening gebrachte belastingrente tot € 1.244.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, Chr.Th.P.M. Zandhuis en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon R.A. Bosman
De beslissing is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.