ECLI:NL:GHDHA:2026:2236

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/431
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 7:12 AwbArt. 16c Wet WOZArt. 17 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenvergoeding bij ongegrond beroep WOZ-waarde woning

Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning waarvan de WOZ-waarde voor 2023 is vastgesteld op €360.000. Tegen deze beschikking en de daarop gebaseerde aanslag is bezwaar gemaakt, dat is afgewezen. Vervolgens is beroep ingesteld bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het Hof.

De kern van het geschil in hoger beroep betrof de vraag of belanghebbende recht had op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase, omdat de waarde in de matrix lager was dan de vastgestelde waarde. Het Hof oordeelde dat de rechtbank terecht geen proceskostenvergoeding toekende, omdat de heffingsambtenaar de waarde voldoende aannemelijk had gemaakt en de motivering van de beschikking deugdelijk was.

Het Hof benadrukte dat het waarderen van onroerende zaken geen exacte wetenschap is en dat een klein verschil tussen de getaxeerde en de vastgestelde waarde niet leidt tot een recht op proceskostenvergoeding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/431

Uitspraak van 30 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: M.O.E. Uyen)
en
de heffingsambtenaar van Gemeentebelastingen en Basisinformatie Drechtsteden, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 18 april 2025, nummer ROT 23/8010.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] (de woning), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 360.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de [gemeente] (de aanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk aangeduid als verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 maart 2026. De Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de griffier vastgesteld dat belanghebbende niet op de juiste wijze is uitgenodigd voor de zitting van het Hof. Bij bericht van 11 maart 2026 heeft het Hof het proces-verbaal van de zitting aan belanghebbende gestuurd. Daarbij is vermeld dat het Hof van mening is dat de uitspraak kan worden gedaan zonder een volgende mondelinge behandeling en heeft het Hof belanghebbende tot uiterlijk 18 maart 2026 gegeven om te reageren op hetgeen ter zitting is verklaard en uiterlijk die datum aan te geven of hij gebruik wil maken van zijn recht om op een zitting te worden gehoord. Bij bericht van 11 maart 2026 is het proces-verbaal ook aan de Heffingsambtenaar gestuurd en is aan hem gevraagd uiterlijk 18 maart 2016 aan te geven of hij gebruik wil maken van zijn recht om te worden gehoord op een volgende mondelinge behandeling. Belanghebbende en de Heffingsambtenaar hebben niet op de berichten van 11 maart 2026 gereageerd. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten. Bij bericht van 19 maart 2026 heeft het Hof belanghebbende en de Heffingsambtenaar bericht dat het Hof de zaak zonder (nadere) mondelinge behandeling zal afdoen, het onderzoek heeft gesloten en dat op 30 april 2026 schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een tussenwoning uit het bouwjaar 1972 met een woonoppervlakte van 116 m2 en beschikt over een berging/schuur. De woning staat op een perceel van 144 m2.
2.2.
Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar een “Cijfermatige benadering van de taxatie” gevoegd (de matrix). De “Totale getaxeerde waarde (onafgerond)” van de woning is in de matrix bepaald op € 357.500. De “Totale getaxeerde waarde (afgerond)” is in de matrix bepaald op € 355.000. De waarde van de woning bij de beschikking is vastgesteld op € 360.000. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
2.3.
In beroep heeft de Heffingsambtenaar een “Cijfermatige benadering van de taxatie” gevoegd (de nieuwe matrix). De “Totale getaxeerde waarde (onafgerond)” van de woning is in de matrix bepaald op € 364.500. De “Totale getaxeerde waarde (afgerond)” is in de matrix bepaald op € 360.000. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Oordeel van de Rechtbank

3.1.
De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“Heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?
9. Eiser betoogt dat de waarde van de woning ten hoogste € 340.000,- bedraagt. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat de waarde op € 355.000,- moet worden gesteld, nu deze waarde uit de matrix bij de uitspraak op bezwaar volgt.
De heffingsambtenaar heeft de waarde hoe dan ook te hoog beschikt. Eiser was door deze handelswijze genoodzaakt om in beroep te gaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat de matrix in beroep te laat is verstrekt. Ook heeft hij betwist dat de matrix correct is.
Het perceel van de woning is niet optimaal bruikbaar. De brandgang op het perceel is in eigendom, maar deze kan vanwege de erfafscheiding niet door eiser worden gebruikt.
De objectafbakening is conform artikel 16c van de Wet WOZ onjuist. De brandgang had niet bij de waardering moeten worden betrokken. Eiser verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden van 20 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6905.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser betwist dat de oppervlakte van de brandgang 6 m² bedraagt. Door de heffingsambtenaar is een kadastrale kaart gebruikt om de brandgang op te meten. Dit is volgens eiser een op de zaak betrekking hebbend stuk, dat ten onrechte niet is overgelegd.
10. De heffingsambtenaar stelt zich in zijn e-mail van 25 oktober 2023 op het standpunt dat de matrix bij de uitspraak op bezwaar een marginaal verschil van € 5.000,- toont tussen de getaxeerde waarde (€ 355.000,-) en de beschikte waarde (€ 360.000,-). De heffingsambtenaar verwijst naar de uitspraak van 6 juni 2023 van de rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2023:9460. Uit deze uitspraak volgt volgens de heffingsambtenaar dat een taxatie zich binnen een bandbreedte van € 5.000,- mag bevinden.
De waarde is dus niet te hoog vastgesteld. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar hieraan toegevoegd dat er bij de taxatie in bezwaar eigenlijk sprake is van een verschil van € 2.500,- tussen de getaxeerde en de beschikte waarde, aangezien de onafgeronde getaxeerde waarde € 357.500,- bedraagt.
11. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”.[3]
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de
WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit het taxatierapport blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De gebruikte vergelijkingsobjecten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] en [adres 5] en [adres 6] in [woonplaats] zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, bouwjaar, gebruiksoppervlakte, voorzieningen, onderhoud en kwaliteit voldoende vergelijkbaar zijn met de woning.
13. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
13.1.
Het staat de heffingsambtenaar vrij om de waardevaststelling in iedere fase van de procedure grondiger te onderbouwen en de daarbij gebruikte vergelijkingsobjecten te wijzigen. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar zijn waardering gebaseerd op de vergelijkingsobjecten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , en [adres 6] . In beroep heeft de heffingsambtenaar hieraan vergelijkingsobject [adres 5] toegevoegd. Met de taxatie en matrix in beroep heeft de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk gemaakt. De totale onafgeronde getaxeerde waarde (€ 364.500,-) in deze matrix is hoger dan de beschikte waarde (€ 360.000,-). Ondanks dat de onderbouwing van de waarde in bezwaar niet ideaal is, leidt dit niet tot een gegrond beroep. Dat eiser genoodzaakt was om in beroep te gaan, volgt de rechtbank niet.
13.2
De rechtbank is van oordeel dat de matrix wel degelijk tijdig is ingediend, namelijk met het verweerschrift dat zowel op 21 december 2023 als op 10 februari 2025 bij de rechtbank is ingekomen en is doorgestuurd aan eiser. Op 24 februari 2025 heeft de rechtbank de heffingsambtenaar verzocht om een beter leesbare matrix te overleggen. Deze is op diezelfde dag door de heffingsambtenaar verstrekt. Er is geen sprake van verschillende matrixen. Dat de matrix niet zou kloppen, is onvoldoende gesteld en gebleken.
13.3
Ter zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat hij de brandgang op basis van een luchtfoto in combinatie met de kadastrale kaart heeft opgemeten en dat voor alle beroepen uit het belastingjaar 2023 geldt, dat de brandgangen uit de waarderingen zijn gelaten. Uit het taxatieverslag in de onderhavige zaak volgt dat het gehele perceel 150 m² bedraagt. Uit de matrixen in bezwaar en beroep volgt dat 144 m² grond bij de waardering is betrokken. Ook in deze zaak is de brandgang met een totale oppervlakte van 6 m² dus niet bij de waardering betrokken. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn standpunt dat hiermee voldoende tegemoet is gekomen aan eiser.
De grond van eiser over de betwisting van de oppervlakte van de brandgang bespreekt de rechtbank niet nader wegens strijd met de goed procesorde, aangezien deze grond pas ter zitting is aangevoerd. Hetzelfde geldt voor eisers punt over dat de kadastrale kaart een op de zaak betrekking hebbend stuk zou zijn.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het aannemelijk dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde hetzelfde blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
(…)
[3] Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.1.
In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van proceskosten voor de beroepsfase heeft toegekend. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.1.2.
Niet in geschil is dat de bij beschikking vastgestelde waarde niet te hoog is.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding, tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de beroeps- en hogerberoepsfase en, naar het Hof begrijpt, tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase, omdat de Heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar de waarde van de woning niet heeft verminderd tot de waarde (afgerond) in de matrix van € 355.000. Daardoor voelde hij zich genoodzaakt tegen de uitspraak op bezwaar bij de Rechtbank in beroep te gaan. Hij verwijst daarbij naar CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3123. De Rechtbank miskent dit, aldus belanghebbende. Hij verwijst voorts naar een uitspraak van de Rechtbank van 10 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4935, meer specifiek naar r.o. 8.1 van die uitspraak.
5.2.
Het Hof stelt voorop dat de bestuursrechter bij een ongegrond beroep of hoger beroep aan degene die het beroep of hoger beroep heeft ingesteld op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd is een proceskostenvergoeding toe te kennen. De wetgever heeft aan de rechter beoordelingsvrijheid willen toekennen bij de toepassing van die bevoegdheid (HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8869). In de jurisprudentie zijn in tal van zaken feiten en omstandigheden aan de orde geweest waarin bestuursrechters aanleiding hebben gevonden een proceskostenvergoeding toe te kennen bij een ongegrond beroep, hoger beroep of beroep in cassatie (zie de conclusie A-G IJzerman van 5 maart 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL8869, onderdeel 4.19 e.v.). Een beslissing om geen proceskostenvergoeding toe te kennen bij een ongegrond beroep, hoger beroep of beroep in cassatie behoeft geen motivering (vgl. HR 18 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2201).
5.3.
In het onderhavige geval heeft de Rechtbank naar het oordeel van het Hof terecht geen aanleiding gezien om aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen. In de uitspraak op bezwaar verwijst de Heffingsambtenaar ter onderbouwing van de waarde van de woning naar de matrix. De waarde van de woning is in de matrix bepaald op € 357.500 (onafgerond) en € 355.000 (afgerond). Gesteld noch gebleken is dat de gegevens waarvan in de matrix gebruik is gemaakt onjuist zijn of dat de waarde van de woning voor belanghebbende daaruit niet af te leiden zou zijn. Aldus bevatte de uitspraak op bezwaar een deugdelijke, voor de lezer, begrijpelijke motivering van de beschikking. Van een schending van de motiveringseis van artikel 7:12 Awb Pro, voor zover belanghebbende stelt dat daarvan sprake is, of feiten en omstandigheden die de Rechtbank aanleiding hadden moeten geven om een proceskostenvergoeding toe te kennen, is geen sprake. De Rechtbank heeft derhalve de grenzen van de haar toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden.
5.4.
Het onder 5.3 gegeven oordeel wordt niet anders doordat de waarde van de woning in de bij de uitspraak op bezwaar gevoegde matrix is bepaald op een waarde die lager is dan de beschikte waarde (€ 357.500 (onafgerond)). Het Hof kent in dit verband alleen betekenis toe aan de onafgeronde waarde. Deze waarde ligt zo dicht aan tegen de beschikte waarde (€ 360.000) dat het belanghebbende, die zich laat bijstaan door een professionele gemachtigde, duidelijk moet zijn geweest dat de Heffingsambtenaar hiermee de beschikte waarde aannemelijk heeft gemaakt. Het waarderen van onroerende zaken is geen exacte wetenschap; niet vereist is dat de WOZ-waarde van een onroerende zaak wiskundig wordt bewezen door de Heffingsambtenaar. Ook de uitspraak van de Rechtbank van 10 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4935 staat aan dit oordeel niet in de weg, omdat in die procedure, anders dan in de onderhavige zaak, niet een nieuwe matrix is ingediend ter onderbouwing van de vastgestelde waarde. Als gevolg daarvan was de heffingsambtenaar niet in zijn bewijslast geslaagd en werd het beroep gegrond verklaard. De vraag of er aanleiding was om een proceskostenvergoeding toe te kennen bij een ongegrond beroep was daar dus niet aan de orde.
Slotsom
5.5.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, Chr.Th.P.M. Zandhuis en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 30 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.