ECLI:NL:GHDHA:2026:2130

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
200.349.262/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 3.12 CAO Koninklijke Horeca NederlandArbeidstijdenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over klachtplicht bij betaling van overuren in arbeidsrelatie

Deze zaak betreft een werknemer die betaling van gewerkte, maar niet betaalde overuren vordert van zijn voormalige werkgever, La Bastille XL. De arbeidsovereenkomst viel onder de CAO Koninklijke Horeca Nederland, waarin overwerkvergoeding in vrije tijd of betaling is geregeld. De werknemer trad in 2011 in dienst en viel in 2017 uit wegens burn-out. Hij klaagde pas in april 2018 over te weinig loon.

In eerste aanleg en in hoger beroep bij het hof Amsterdam werd de vordering afgewezen omdat de werknemer niet binnen bekwame tijd had geklaagd, zoals vereist in artikel 6:89 BW Pro. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en verwees de zaak terug, met nadruk op omstandigheden zoals de intimidatie door de werkgever en het ontbreken van correcte urenregistratie.

Na verwijzing heeft het hof Den Haag de zaak opnieuw beoordeeld, maar komt tot dezelfde conclusie als het hof Amsterdam. Het hof acht het niet geloofwaardig dat de werknemer zich niet vrij voelde om eerder te klagen en wijst erop dat de werknemer en collega’s herhaaldelijk over de overuren hebben geklaagd. Het late protesteren heeft de werkgever benadeeld in haar mogelijkheden om de overuren te compenseren of te voorkomen.

De vordering tot betaling van overuren wordt daarom afgewezen. Ook de proceskostenveroordeling blijft in stand. Het arrest bevestigt de strikte toepassing van de klachtplicht bij loonvorderingen en benadrukt het belang van tijdig protesteren tegen vermeende tekortkomingen.

Uitkomst: Vordering tot betaling van overuren wordt afgewezen wegens niet tijdig klagen volgens artikel 6:89 BW.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
zaaknummer gerechtshof Den Haag: 200.349.262/01
zaaknummer Hoge Raad der Nederlanden: 23/03290
zaaknummer gerechtshof Amsterdam: 200.284.501/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam: 8158980 CV EXPL 19-23780
arrest van 7 juli 2026
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats] , [gemeente] ,
appellant in principaal beroep,
verweerder in (voorwaardelijk) incidenteel beroep,
advocaat: mr. M.W.M. Heijlaerts, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
THE BUNNY BUNNY BAR B.V.t.h.o.d.n.
CAFÉ LA BASTILLE XLof
CAFÉ LA BASTILLE THORBECKEPLEIN,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in principaal beroep,
appellante in (voorwaardelijk) incidenteel beroep,
advocaat: mr. K. Aupers, kantoorhoudende te Amsterdam.

1.De zaak in het kort

Vervolg van HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1281 over de klachtplicht ex art. 6:89 BW Pro. Werknemer vordert betaling van gewerkte, maar niet betaalde overuren. De vordering is door het hof Amsterdam afgewezen op de grond dat werknemer niet heeft voldaan aan zijn klachtplicht. Na cassatie en verwijzing komt het hof Den Haag tot dezelfde uitkomst.

2.Het geding in hoger beroep na verwijzing

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en La Bastille XL genoemd.
In deze zaak heeft de Hoge Raad een arrest uitgesproken op 20 september 2024. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad.
Het verloop van de procedure na verwijzing van het geding naar dit hof, blijkt uit de volgende stukken:
  • memorie na verwijzing (met producties) van [appellant] ,
  • memorie van antwoord na verwijzing (met producties) van La Bastille XL,
  • akte uitlaten producties (met producties) van [appellant] ,
  • antwoordakte van La Bastille XL.

3.Feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.
[appellant] is in 2011 in dienst getreden bij La Bastille XL in de functie van medewerker cafébedrijf, tegen een uurloon van € 12,- bruto. Hij is in 2017 uitgevallen voor zijn werk door een burn-out.
3.2.
In april 2018 heeft [appellant] aan La Bastille XL bericht dat hem te weinig loon is betaald.
3.3.
Het dienstverband is op 1 november 2018 geëindigd.
3.4.
Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Koninklijke Horeca Nederland (hierna: de cao) van toepassing. In art. 3.12 van de cao is het volgende bepaald:
Vergoeding overwerk
1. Overwerk wordt vergoed in de vorm van vrije tijd. Voor 1 uur overwerk krijg je 1 uur vrije tijd. Aan het eind van het kalenderjaar wordt berekend of je overuren hebt gemaakt. Eventuele overuren dienen uiterlijk in de daarop volgende 13 weken gecompenseerd te worden.
2. Als het niet mogelijk is om alle overuren binnen de periode van 13 weken te compenseren in vrije tijd, moeten de nog resterende overuren binnen 4 weken na de 13 weken worden uitbetaald. (…)

4.Beoordeling

4.1.
Bij memorie na verwijzing heeft [appellant] zijn vordering, samengevat, als volgt geformuleerd:
  • i) veroordeling van La Bastille XL tot betaling aan hem van € 31.770,63 met wettelijke verhoging en wettelijke rente,
  • ii) veroordeling van La Bastille XL tot het doen van mededeling aan Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Horeca van deze nabetaling en tot voldoening van de verschuldigde pensioenpremie over deze nabetaling aan het pensioenfonds,
  • iii) veroordeling van La Bastille XL in de proceskosten van beide instanties.
4.2.
Het genoemde bedrag van € 31.770,63 bestaat uit de volgende onderdelen:
€ 22.855,55 wegens onbetaalde overuren,
€ 8.622,12 wegens ziekengeld,
€ 292,96 wegens feestdagentoeslag.
4.3.
Het hof zal eerst de vordering van [appellant] wegens overuren bespreken.
4.4.
In eerste aanleg heeft de kantonrechter deze vordering afgewezen op de grond dat [appellant] onvoldoende had gesteld om tot bewijs te worden toegelaten.
4.5.
Ook het hof Amsterdam heeft deze vordering afgewezen, kort gezegd op de grond dat [appellant] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd dat betaling van gewerkte overuren uitbleef (artikel 6:89 BW Pro). Voor de overwegingen van het hof Amsterdam verwijst het hof naar het tussenarrest van dat hof van 5 april 2022 onder 3.9 t/m 3.9.6. [1]
4.6.
De Hoge Raad heeft overwogen dat een aantal in zijn arrest genoemde, door [appellant] aangevoerde, omstandigheden van belang zijn voor het antwoord op de vraag wat in dit geval van [appellant] uit hoofde van artikel 6:89 BW Pro kon worden verlangd en of hij daaraan heeft voldaan. Het hof had deze omstandigheden daarom kenbaar in zijn beoordeling moeten betrekken. Door dat niet te doen, geeft het oordeel van het hof hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus het arrest. De omstandigheden waar het hier om gaat, zijn de volgende:
dat van [appellant] en zijn andere collega's, die in ditzelfde schuitje zaten, niet kon worden verwacht dat zij maandelijks ageerden tegen het vermoeden dat de cao wordt overtreden, omdat zij daarmee hun arbeidsrelatie op het spel zetten;
dat het gelet op de intimiderende houding die La Bastille XL zich aanmat, logisch is dat [appellant] pas in 2017 heeft doorgepakt met het instellen van een loonvordering;
dat La Bastille XL, bovendien, de diensttijden niet heeft geregistreerd, terwijl zij daartoe op grond van de cao en de Arbeidstijdenwet verplicht was, en zij – als zij dat wel had gedaan – de vordering van [appellant] in verband met de overuren zelfstandig had kunnen beoordelen.
De Hoge Raad heeft dit een en ander geoordeeld tegen de achtergrond van de volgende overweging onder 3.1 van zijn arrest:
Bij beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in art. 6:89 BW Pro besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht, dient acht te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoort het antwoord op de vraag of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in art. 6:89 BW Pro vermeld – te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken.
4.7.
Het hof zal het beroep van La Bastille XL op het bepaalde in artikel 6:89 BW Pro opnieuw beoordelen met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad, in het bijzonder de hiervoor onder 4.6 weergegeven overweging.
4.8.
Ook na een nieuwe beoordeling na verwijzing komt het hof tot dezelfde uitkomst als het hof Amsterdam vóór verwijzing. De hiervoor onder 4.6 genoemde omstandigheden (i) t/m (iii) voeren het hof namelijk niet tot een andere uitkomst. Het hof zal dat hierna toelichten.
4.9.
Op de loonstroken van [appellant] over de relevante periode zijn overuren vermeld en deze zijn ook betaald. [appellant] stelt zich op het standpunt dat een aanzienlijk deel van de door hem gewerkte overuren in deze periode echter niet op de loonstroken zijn vermeld en niet zijn betaald. Volgens [appellant] zijn deze overuren voornamelijk gewerkt na sluitingstijd omdat hij per dienst na sluitingstijd gemiddeld 2,25 uur heeft gewerkt. De overuren zijn volgens [appellant] gewerkt vanaf de aanvang van zijn dienstverband tot het moment dat hij uitviel wegens ziekte op 20 juli 2017.
4.10.
La Bastille XL voert hiertegen het volgende, ontleend aan het arrest van het hof Amsterdam van 5 april 2022 onder 3.9.3, aan. Voor zover [appellant] al na sluitingstijd aanwezig is geweest, was dit vrijwillig. Na een kwartier na sluitingstijd verrichtte [appellant] geen werkzaamheden meer ten behoeve van La Bastille XL. Wat wel gebeurde, was dat [appellant] met collega’s nableef om nog wat te drinken, wat La Bastille XL toestond. De afrondende werkzaamheden konden ook tijdens de laatste openingsuren worden verricht omdat de piekdrukte dan voorbij was. Die afrondende werkzaamheden betroffen slechts het opruimen van wat flessen en andere zaken en soms het aanvegen van de vloer. Voor het dagelijkse schoonmaakwerk was een schoonmaker in dienst.
4.11.
Als meest verstrekkend verweer op het punt van de overuren heeft La Bastille XL echter gesteld dat [appellant] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd dat betaling van gewerkte uren uitbleef.
4.12.
Voor de beoordeling van dit laatste verweer wegen ook na verwijzing de volgende omstandigheden zwaar. Het hof Amsterdam heeft deze omstandigheden vastgesteld en deze zijn in cassatie onbestreden gebleven. Er is geen sprake van een situatie waarin [appellant] er pas later achter kwam dat hij op grond van de cao recht had op compensatie voor overuren. [appellant] wist dat hij aanspraak had op compensatie van of betaling van overuren, omdat hij maandelijks op zijn loonstrook kon zien dat er overuren werden betaald. De gestelde overuren waarvan [appellant] thans betaling verlangt, betreffen geen incidentele uren (waarbij het uitblijven van betaling over het hoofd gezien zou kunnen zijn), maar structurele uren met steeds dezelfde bron: het werken na sluitingstijd. Het gaat daarbij om dertien uur per week, ruim een derde dus van het totaal aantal uren dat [appellant] per week betaald kreeg. Niettemin heeft [appellant] niet eerder dan 19 april 2018 geklaagd over het onbetaald blijven van overuren.
4.13.
Het hof verwerpt het betoog van [appellant] dat, kort gezegd, van hem niet te verwachten was maandelijks te ageren tegen het vermoeden dat de cao werd overtreden omdat hij daarmee zijn arbeidsrelatie op het spel zou zetten en dat het logisch was dat hij pas in 2017 heeft doorgepakt met het instellen van een loonvordering, gelet op de intimiderende houding van La Bastille XL.
4.14.
Dit betoog is onverenigbaar met een aantal uitlatingen die [appellant] in zijn processtukken heeft gedaan en met uitlatingen van hem en andere werknemers in schriftelijke verklaringen waarnaar [appellant] heeft verwezen. Zo heeft [appellant] het volgende naar voren gebracht:
- de discussie omtrent het niet betalen van de overuren speelt al jaren [2] ;
- bijzonder vaak heb ik en mijn collega’s over de uren geklaagd dat het weer verkeerd was uitbetaald. Ik kan de keren niet tellen hoe vaak wij het hierover hebben gehad met de leidinggevende. Als je vervolgens te horen krijgt: ‘als [het] je niet bevalt dan kan je nog altijd weggaan’, of ‘niemand dwingt jou om bij ons te blijven’ werd er dan gezegd [3] ;
- [appellant] heeft voortdurend geklaagd over het niet naleven van de cao [4] – [appellant] c.s. hebben tijdens hun dienstverband wel degelijk herhaaldelijk geklaagd over het onbetaald blijven van een deel van de werktijden [5] – [appellant] heeft zoals hiervoor is aangegeven bovendien tijdens zijn dienstverband herhaaldelijk geklaagd over onder meer het onbetaald blijven van zijn overuren [6] ;
- La Bastille beroept zich op rechtsverwerking omdat [appellant] c.s. nooit eerder zouden hebben geklaagd. Dit wordt door [appellant] c.s. betwist omdat [appellant] , mede namens zijn vaste collega’s eerder wel degelijk herhaaldelijk heeft geklaagd over het onbetaald blijven van de overuren. [appellant] c.s. liepen daarbij tegen een muur omdat La Bastille overtuigd was van haar eigen systeem. Dit is ook de reden dat [appellant] c.s. de uren bijhielden [7] ;
- [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de tel kwijt is hoe vaak de werknemers met de leiding discussies hebben gevoerd over de juiste uren. [betrokkene 2] heeft in vergelijkbare zin verklaard [8] .
4.15.
Hoewel, zoals hiervoor overwogen, moet worden aangenomen dat [appellant] niet eerder dan 19 april 2018 heeft geklaagd over het onbetaald blijven van overuren, acht het hof het tegen de achtergrond van deze en dergelijke uitlatingen niet geloofwaardig dat [appellant] zich eerder niet vrij heeft gevoeld bij La Bastille XL te klagen over het niet betaald worden van overuren waarop hij in zijn visie aanspraak had. De onverenigbaarheid hiervan met die uitlatingen brengt mee dat het hierop gerichte betoog van [appellant] onvoldoende gemotiveerd is en daarom geen stand kan houden. Geconcludeerd moet worden dat eerder klagen daarom wel degelijk van [appellant] kon worden verlangd en dat de aard en inhoud van de rechtsverhouding tussen partijen daarvoor in dit geval geen beletsel vormde. Het gaat er daarbij overigens niet om dat [appellant] en zijn collega’s ‘maandelijks ageerden’ en ook niet om ‘doorpakken met het instellen van een loonvordering’, maar om - na het ontdekken of behoren te ontdekken van het gestelde structureel niet uitbetalen van overuren - protesteren bij La Bastille XL.
4.16.
[appellant] heeft naar voren gebracht dat La Bastille XL de diensttijden niet overeenkomstig de eisen van de cao en de Arbeidstijdenwet heeft geregistreerd. Als zij dat wel zou hebben gedaan, zou er nu – zo begrijpt het hof – geen onduidelijkheid hebben bestaan over de overuren en zou La Bastille XL de vordering van [appellant] wegens overuren zelfstandig kunnen beoordelen. Dit betoog van [appellant] moet in dit verband kennelijk aldus worden begrepen dat voor zover La Bastille XL nadeel lijdt door het late tijdstip van klagen, dat nadeel voor haar eigen rekening moet blijven en daarom niet een omstandigheid vormt die in aanmerking is te nemen bij beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 6:89 BW Pro besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht.
4.17.
Het hof laat de vraag rusten of La Bastille XL de arbeidstijd van [appellant] naar de geldende eisen heeft geregistreerd. Ook als het standpunt van [appellant] op dit punt zou worden gevolgd en om die reden zou moeten worden aangenomen dat benadeling in de bewijspositie van La Bastille XL door het late tijdstip van protesteren voor eigen rekening van La Bastille XL moet blijven, neemt dat een en ander niet weg dat La Bastille XL in een ander concreet belang is geschaad door het late tijdstip van protesteren.
4.18.
Als gevolg van dat late tijdstip van protesteren door [appellant] is aan La Bastille XL immers feitelijk de mogelijkheid ontnomen de gestelde, niet betaalde overuren alsnog op de voet van artikel 3.12 van de cao te vergoeden in de vorm van vrije tijd of de werkzaamheden anders in te richten waardoor bijvoorbeeld het doorwerken na sluitingstijd kon worden voorkomen of beperkt (vergelijk het arrest van het hof Amsterdam van 5 april 2022 onder 3.9.6 slot). Denkbaar is bijvoorbeeld dat, zoals in de stellingen van La Bastille XL genoegzaam besloten ligt, personeel zou zijn geïnstrueerd eerder te beginnen met afsluitende werkzaamheden, deze efficiënter uit te voeren en strikter toe te zien op handhaving van die instructies en van de sluitingstijd. De door [appellant] gestelde overwerktijd ‘na sluit’ is zodanig lang dat het hof voldoende aannemelijk acht dat La Bastille XL in dat geval maatregelen zou hebben getroffen als hiervoor bedoeld.
4.19.
Het beschreven belang van La Bastille XL weegt voor het hof zó zwaar dat het voldoende opweegt tegen het voor [appellant] ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren, namelijk dat hem geen beroep meer toekomt op het onbetaald gebleven zijn van de door hem gestelde overuren. Daarbij weegt mee dat dit belang van La Bastille XL voor [appellant] redelijkerwijs voorzienbaar was en dat, zoals eerder overwogen, tijdig protesteren voor [appellant] mogelijk was.
4.20.
Bij memorie na verwijzing heeft [appellant] nog enkele andere argumenten genoemd: La Bastille XL werkte met tijdelijke contracten en pas na het verstrijken van de maximaal toegestane duur van de keten is [appellant] in vaste dienst gekomen, La Bastille XL had een houding van ‘voor jou tien anderen’ en onder ogen moet worden gezien het belang van een deugdelijke arbeidsregistratie zoals bevestigd in een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze argumenten leiden echter, zoals uit de voorgaande overwegingen voortvloeit, niet tot een ander oordeel.
4.21.
Er is geen bewijs aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.
4.22.
Ook na verwijzing luidt de conclusie dat grief 3 in principaal beroep faalt. De door [appellant] ingestelde vorderingen die voortbouwen op de vordering tot betaling van overuren behoeven geen verdere bespreking.
4.23.
De kantonrechter heeft de vordering wegens overuren en de daarop voortbouwende vorderingen afgewezen. Uitsluitend in zoverre is het vonnis van de kantonrechter in het geding na verwijzing nog aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof komt na verwijzing niet tot andere beslissingen, ook niet ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter daarom bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van het hof Amsterdam tot compensatie van de proceskosten in hoger beroep voor verwijzing. Het hof overweegt ten overvloede dat de onderdelen van de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2022 en 23 mei 2023 die in het geding na verwijzing niet meer aan het oordeel van het hof zijn onderworpen omdat zij in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, onaantastbaar zijn geworden.
4.24.
De uitkomst van het geding na verwijzing brengt mee dat [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding na verwijzing.

5.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover na verwijzing aan het oordeel van het hof onderworpen;
bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten in hoger beroep vóór verwijzing draagt;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding na verwijzing en begroot deze aan de zijde van La Bastille XL op nihil wegens verschotten en € 2.505,- wegens salaris en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris in geval van betekening van dit arrest;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, M.D. Ruizeveld en M. Verkerk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1062.
2.Memorie van grieven tevens houdende akte wijziging van eis onder 9.
3.Productie 27 bij memorie van grieven tevens houdende akte wijziging van eis.
4.Memorie van antwoord in incidenteel appel onder 4.
5.Memorie van antwoord in incidenteel appel onder 12.
6.Memorie van antwoord in incidenteel appel onder 19.
7.Spreekaantekeningen in hoger beroep vóór verwijzing onder 17.
8.Producties 29 en 33 bij memorie van grieven tevens houdende akte wijziging van eis.