“In de zomer van 2017 zie ik dat er een oud boerderijtje te koop staat aan de [adres] te [woonplaats 2] . Hierop besluit ik contact op te nemen met de betrokken makelaar (…) om een bezichtiging te plannen en om nadere informatie omtrent de kavel te verkrijgen. Dit bezoek vind enige dagen later plaats. De woning blijkt al jaren te koop te staan en wordt maar niet verkocht. De reden van deze onverkoopbaarheid was dat het hier een kavel betrof met een agrarische bestemming met daarop een bedrijfswoning. Alleen een agrariër met een bedrijf zou zich hier dus mogen vestigen.
Na dit bezoek en de informatie ben ik gaan onderzoeken of er wellicht toch mogelijkheden waren om mij ook hier als particulier te mogen vestigen, plannen om agrariër te worden had ik namelijk niet.
Ik wilde graag in [woonplaats 2] gaan wonen. Tijdens deze zoektocht kwam ik de ruimte-voor-ruimte regeling tegen van de [gemeente] . Dit bracht mij op een idee. Zou dat hier ook gelden. Na wat telefoontjes met de verantwoordelijke afdeling van de [gemeente] bleek al gauw dat zij de verpaupering van de woning en het risico van illegale activiteiten in de nog aanwezige kassen zorgelijk vonden en mogelijk, met als doel een kwaliteitsverbetering van de kavel, hun medewerking zouden willen verlenen aan een mogelijke bestemmingsplanwijziging (agrarische bestemming naar een woonbestemming) en in het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling (slopen van de kassen) een extra woonbestemming te verlenen.
De gemeente gaf aan dat ik dit via een principe-verzoek bij de gemeente moest kenbaar maken.
Met deze kennis op zak heb ik weer contact opgenomen met de makelaar en hem aangegeven dat ik [adres] te [woonplaats 2] wilde kopen voor EURO 510.000,00 met als ontbindende voorwaarde dat ik deze bestemmingsplanwijziging gerealiseerd zou krijgen. Zo niet dan ging de koop niet door.
In de voorlopige koopakte is deze ontbindende voorwaarde dan ook opgenomen en deze is op 28 september 2017 getekend door mij en de verkopers.
Eind september 2017 dien ik het principe-verzoek in bij de [gemeente] en op 31 oktober 2017 neemt de gemeente een positief besluit tot het mee willen werken aan het realiseren van een mogelijke bestemmingsplanwijziging. Een garantie konden zij echter niet geven.
Ik ga vervolgens aan de slag met het opstellen van een ontwerpbestemmingsplan en alle werkzaamheden en verplichte onderzoeksrapporten die daarbij komen kijken (Akoestischonderzoek, Flora en Fauna onderzoek, Landschappelijk Inrichtingsplan, Anterieure overeenkomst met de gemeente, etc.).
Ik dien op 24 januari 2018 alle bovengenoemde stukken in en de gemeente legt het ontwerp bestemmingsplan ter inzage. Na het doorvoeren van een aantal aanpassingen op basis van ingediende bezwaren (o.a. van de DCMR) wordt het ontwerp bestemmingsplan in de loop van juni 2018 goedgekeurd en onherroepelijk en treedt op 28 augustus 2018 in werking.
Mijn plan is dus werkelijkheid geworden. De verkoopovereenkomst is nu dus bindend en ik zal dus eind 2018 het onroerend goed moeten afnemen en de koopsom ad EURO 510.000,00 moeten betalen. Dit geld heb ik echter niet. Wat nu?
Ik geef de makelaar direct de opdracht om een koper te zoeken voor de onbebouwde kavel. Dit lukt echter niet maar er meldt zich wel een koper voor de boerderij. Na enige prijsonderhandelingen kom ik met de kopers tot een overeenkomst en teken ik op 17 november 2018 de koopovereenkomst voor de woning ( [adres] ) met ca. 2.100 m2 grond voor de prijs van EURO 550.000,00.
De kavel zal ik dan vervolgens zelf behouden om daar mogelijk in de toekomst zelf de bouw van een huis te kunnen gaan realiseren. Het wonen in de boerderij (mijn oorspronkelijke plan) is, door de verkoop van de boerderij, niet langer mogelijk.
De oorspronkelijke verkopers, de nieuwe kopers en ik zijn in de voorlopige koopovereenkomsten overeengekomen dat de gehele transaktie (het passeren) middels een z.g. ABC-transactie zou gaan plaatsvinden. Dit kon voor mij ook niet anders want ik had geen geld. Dit had ik op voorhand met de betrokken notaris afgestemd.
In december 2018 geeft mijn toenmalige vriendin (woonachtig in [woonplaats 2] ) aan dat zij best bereid is om de bouw van een eventuele woning op de onbebouwde kavel te financieren. Zij had het geld hiervoor. Zij is bereid dit te doen als zij direct mede-eigenaar van de kavel wordt omdat zij bang is voor natrekking en dan zou zij haar geld kwijt zijn.
Zij was echter in de gehele ontwikkelfase geen partij. Ik bied haar daarop aan om haar mede-eigenaar te laten worden in een latere fase. Dit wil zij niet omdat dit dan mogelijk als een schenking zou worden kunnen gezien door uw dienst. Ik leg haar uit dat dit niet het geval kan zijn als zij haar deel van de afspraak (financiering van de bouw) zal nakomen. Hier is zij niet mee akkoord.
Uiteindelijk stem ik met haar voorstel in (haar toezegging dat zij de bouw van de woning zal gaan financieren) en wordt zij middels een alonge (opgemaakt in december 2018) met terugwerkende kracht als mede-koper en verkoper aangemerkt en betiteld.
Op 21 december vindt de levering plaats in omgekeerde volgorde. Partij B (mijn vriendin en ik) leveren aan partij C (de kopers van de boerderij) en nadat deze stukken getekend zijn neemt partij B de gehele kavel af (inmiddels wel gesplitst bij het kadaster) van partij A (omgekeerd passeren).
Mijn vriendin en ik zijn nu beide eigenaar van de onbebouwde kavel ( […] ).
Nu moest ik nog wel de kassen gaan slopen. Ik was overeengekomen met de kopers van de boerderij dat ik tot 1 juli 2019 de tijd hiervoor zou hebben anders zouden zij dit laten doen en de kosten aan mij doorbelasten. Ik ben gelijk al in januari 2019 hiermee aan de slag gegaan en eind juni 2019 waren de kassen en opstallen op beide kavels verwijderd.
Tot mijn schrik beëindigt mijn vriendin onze relatie, weigert zij haar deel (financieren van de nieuwbouw) na te komen en wil ze de grond te koop zetten. Ik ga hier natuurlijk niet mee akkoord!
Inmiddels loopt er al sinds eind 2019 een rechtszaak waarin ik nakoming van haar toezegging eis. Deze zaak loopt momenteel bij de rechtbank Den Haag en op 9 september a.s. vindt hier een hoorzitting over plaats.
Indien de rechtbank haar niet verplicht tot nakoming van haar belofte dan heeft zij dus om niet de grond verworven. Dat zou wel een heel vreemde jurisprudentie opleveren die ook voor uw dienst gevolgen zou hebben.”