Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2012:BU4808

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01089
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.90 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling tijdstip beëindiging werkzaamheid bij verkoop winkelcentrum voor inkomstenbelasting

Belanghebbende kocht eind 2002 samen met twee derden een winkelcentrum met de intentie dit na het sluiten van een lucratief huurcontract door te verkopen. De exploitatie van een supermarkt in het winkelcentrum was gepland, maar een franchise-overeenkomst kwam niet tot stand. Na het sluiten van een huurcontract met een supermarktorganisatie werd het winkelcentrum in december 2004 verkocht.

De Inspecteur legde navorderingsaanslagen op voor de jaren 2003 en 2004, waarbij hij de huuropbrengsten en de winst uit verkoop als resultaat uit werkzaamheid aanmerkte. De Rechtbank Arnhem verklaarde de beroepen ongegrond, maar het Hof Arnhem vernietigde deze uitspraken en stelde dat de werkzaamheid in 2002 was beëindigd, waardoor de voordelen in 2003 en 2004 niet als resultaat uit werkzaamheid konden worden belast.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de werkzaamheid in 2002 is geëindigd. De werkzaamheid bestond in beginsel voort tot het moment van wederverkoop, tenzij belanghebbende de bestemming van het vermogensbestanddeel had gewijzigd in duurzaam aanhouden ter belegging, wat niet is vastgesteld. Het arrest vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug naar het hof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling van het tijdstip van beëindiging van de werkzaamheid.

Uitspraak

16 maart 2012
nr. 11/01089
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 25 januari 2011, nrs. 10/394 en 10/397, betreffende aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2003 en 2004 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn verminderd.
De Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 08/5050 en AWB 08/5051) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de bij de Rechtbank ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen verder verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 25 oktober 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende heeft aan het einde van de jaren negentig het plan opgevat om een franchisevestiging van een supermarktbedrijf te openen in een winkelruimte (hierna: de winkelruimte) in een nieuw te bouwen winkelcentrum (hierna: het winkelcentrum). De exploitatie van deze supermarkt zou worden ondergebracht in een besloten vennootschap waarvan belanghebbende alle aandelen hield (hierna: de BV).
3.1.2. In de veronderstelling dat zij met supermarktorganisatie L een franchise-overeenkomst zou kunnen sluiten, heeft de BV op 2 oktober 2002 het winkelcentrum gekocht voor € 7.605.996. Deze franchise-overeenkomst is niet tot stand gekomen, evenmin als een franchise-overeenkomst met een ander supermarktbedrijf. Vervolgens heeft belanghebbende vanaf 21 november 2002 onderhandeld met de supermarktorganisatie EE over verhuur van de winkelruimte aan EE. In dezelfde periode is belanghebbende met twee derden overeengekomen dat zij tezamen (hierna: het driemanschap) de eigendom van het winkelcentrum zouden verwerven. Op 20 december 2002 hebben het driemanschap enerzijds en EE anderzijds een huurcontract gesloten op grond waarvan EE de winkelruimte van het driemanschap is gaan huren (hierna: het huurcontract). Op 24 december 2002 is het winkelcentrum geleverd aan de BV die dit op diezelfde datum heeft verkocht en geleverd aan het driemanschap voor een koopsom van € 7.605.996.
3.1.3. De waarde van het winkelcentrum op 24 december 2002 is door een taxateur van de Belastingdienst getaxeerd op € 9.000.000. Het verschil met de hiervoor in 3.1.2 genoemde koopsom van € 7.605.996 is zijns inziens volledig toe te schrijven aan het huurcontract. Op 30 december 2004 heeft het driemanschap het winkelcentrum verkocht voor een bedrag van € 9.500.000.
3.1.4. Bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbendes aandeel in de huuropbrengsten van de winkelruimte over de jaren 2003 en 2004 alsmede een aan hem toe te rekenen aandeel in de bij de hiervoor in 3.1.3 genoemde verkoop behaalde winst als resultaat uit een werkzaamheid in die jaren moet worden belast en heeft hij de door belanghebbende aangegeven belastbare inkomens uit werk en woning dienovereenkomstig gecorrigeerd.
3.2. Het Hof heeft in de onderdelen 4.5 tot en met 4.9 van zijn uitspraak geoordeeld dat zowel de door belanghebbende verrichte werkzaamheden die hebben geleid tot het sluiten van een lucratief huurcontract als de aankoop van zijn aandeel in het winkelcentrum met de intentie daarmee door wederverkoop voordeel te behalen werkzaamheden vormen in de zin van artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Vervolgens heeft het Hof in de onderdelen 4.10 en 4.11 van zijn uitspraak geoordeeld dat met die werkzaamheden een meerwaarde van het winkelcentrum is gecreëerd ter grootte van het hiervoor in 3.1.3 bedoelde verschil (€ 1.394.004). Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbendes aandeel in die meerwaarde in 2002 moet worden belast als resultaat uit een werkzaamheid, omdat de hiervoor genoemde werkzaamheden in dat jaar zijn beëindigd en dat om deze reden de Inspecteur ten onrechte de hiervoor in 3.1.4 bedoelde voordelen heeft aangemerkt als in 2003 en 2004 genoten resultaten uit een werkzaamheid.
3.3.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de werkzaamheid in 2002 is beëindigd. Aangezien belanghebbendes werkzaamheid erop was gericht het winkelcentrum met winst te verkopen, bleef het winkelcentrum tot het moment van vervreemding daarvan in 2004 behoren tot het werkzaamheidsvermogen, zodat de in 2003 en 2004 genoten voordelen in die jaren zijn belast, aldus het middel.
3.3.2. In hetgeen het Hof heeft geoordeeld in de onderdelen 4.5 tot en met 4.11 van zijn uitspraak ligt besloten het oordeel dat belanghebbendes werkzaamheden bestonden uit het (samen met anderen) kopen van het winkelcentrum met de intentie dat winkelcentrum door te verkopen nadat met betrekking tot dat winkelcentrum een lucratief huurcontract tot stand zou zijn gebracht, waarmee een meerwaarde zou worden gecreëerd. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Dit brengt mee dat de werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 van de Wet in beginsel voortduurde tot het moment van wederverkoop en dat belanghebbendes aandeel in het winkelcentrum tot dat moment tot zijn werkzaamheidsvermogen bleef behoren. Dit is alleen anders indien op enig moment voor dat tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van een werkzaamheid in voormelde zin, bijvoorbeeld omdat belanghebbende de bestemming van het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft gewijzigd in duurzaam aanhouden ter belegging.
Indien het Hof voor zijn oordeel dat belanghebbende zijn werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 van de Wet in 2002 heeft beëindigd niet van belang heeft geacht of belanghebbende de bestemming van het desbetreffende vermogensbestanddeel op enig moment heeft gewijzigd in duurzaam aanhouden ter belegging, geeft dat oordeel, gelet op het vorenstaande, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof wel is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting behoefde dat oordeel nadere motivering, die evenwel ontbreekt. Het middel slaagt in zoverre.
3.4. Gelet op het hiervoor in 3.3.2 kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2012.