ECLI:NL:GHDHA:2026:2042

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/817
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 3 letter b Verdrag van Wenen inzake het verdragenrechtBesluit staatssecretaris Financiën 20 september 1999 nr. IFZ99/1044Wet inkomstenbelasting 2001Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van gespecialiseerde organisatiesVerdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering aftrek kosten en toepassing belastingvrijstelling short term consultant Wereldbank

Belanghebbende, werkzaam als short term consultant voor de Wereldbank, voerde in zijn belastingaangiften voor 2016-2018 de ontvangen vergoedingen niet als belastbaar inkomen op, maar bracht wel bedrijfskosten in aftrek. De Inspecteur stelde dat deze inkomsten als netto vrijgesteld inkomen moesten worden beschouwd en weigerde aftrek van kosten en toepassing van de mkb-winstvrijstelling.

De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat de inkomsten van de Wereldbank als functionaris van een gespecialiseerde organisatie zijn vrijgesteld en dat de kosten niet aftrekbaar zijn. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

Het Hof bevestigde het oordeel van de Rechtbank. Het stelde vast dat belanghebbende weliswaar een bron van inkomen had, maar dat de vrijstelling op netto-inkomen van toepassing is, waardoor de kosten niet aftrekbaar zijn. Ook oordeelde het Hof dat de mkb-winstvrijstelling niet tot een gunstiger uitkomst leidt en dat een stakingsverlies niet aannemelijk was gemaakt.

De uitspraak bevestigt dat de belastingvrijstelling voor short term consultants van de Wereldbank geldt op netto-inkomen en dat kosten die samenhangen met deze werkzaamheden niet in aftrek kunnen worden gebracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/817

Uitspraak van 27 mei 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] ( [buitenland] ), belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 oktober 2025, nummer SGR 23/7820.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.138 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 109 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag en de rentebeschikking afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Op 17 maart 2026 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 april 2026. Belanghebbende heeft deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. De Inspecteur is verschenen. De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is deskundige op het gebied van de burgerlijke stand en identiteit/identificatie. Hij verleent adviesdiensten onder de naam [eenmanszaak] , dat sinds [datum] 2011 als eenmanszaak staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
2.2.
In de jaren 2015-2018 heeft hij als ‘short term consultant’ werkzaamheden verricht voor de Wereldbank. Het ging in totaal om zeven (niet aaneengesloten) adviesopdrachten. In november 2017 heeft hij ook een opdracht uitgevoerd voor de […] , waarvoor hij een kostenvergoeding heeft ontvangen ten bedrage van € 244,60, die is uitbetaald op 5 januari 2018.
2.3.
Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende ondertekende ‘Letter of Appointment’ van de Wereldbank van 21 januari 2016, die hij heeft ingebracht als voorbeeld van de door hem met de Wereldbank gesloten overeenkomsten, en waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“We are pleased to offer you a Short Term Consultant appointment to the staff of the World Bank for an assignment with the […] . Your Task Team Lead (TTL) for this assignment will be Mr [A], who is responsible for determining your Terms of Reference and for providing guidance, supervising, and confirming the completion of your work.
Please note that total World Bank Group Short Term Consultant and/or Short Term Temporary assignments may not exceed 150 days or 1,200 hours (inclusive of overtime for STT) per fiscal year.
We expect to need your services for about 35 days from January 20, 2016 to June 30, 2016. In the event the World Bank finds it necessary to cancel the assignment or to shorten its duration, the World Bank reserves the right to adjust the terms of the assignment as necessary. Your appointment will terminate accordingly unless it is extended or a new appointment is made. The World Bank has no obligation to extend the appointment or to offer a new appointment, even if your performance is outstanding, but it may do so if agreed to in writing at the time of the expiration of the appointment.
The World Bank will make every effort to give you as much notice as possible of any such change to your appointment. In the event that the World Bank finds it necessary to extend the terms of this assignment, every effort will be made to accommodate your interests.
During this assignment you will be considered a World Bank Group staff member and will be subject to the Staff Rules currently in effect and as they may be amended from time to time. Please note that the manager of the unit to which you are assigned for is Mr [B].
The World Bank will remunerate you in an amount of US$ 600.00 net of taxes per day worked. Please provide complete information on your local bank account to Ms [C], who will be handling the administration associated with this appointment, and to whom you may direct any questions you may have. After your start date, and prior to the expiration of your contract you may request settlement of remuneration owing to you online at [website 1] .
Travel may be authorized by the World Bank in connection with this assignment. The policies regarding travel and subsistence are governed by the World Bank Group’s Operational Travel Policy (Administrative Manual Statement 3.00). The World Bank Group requires all Short Term Consultants and Short Term Temporaries to obtain Country Clearance prior to departing on mission. If you are travelling within 5 days of signing this contract, you must send a copy of your itinerary, contact information while on trip (mobile phone/email), and trip purpose to Country Clearance Officers assigned to each country on your itinerary. Please contact your manager to facilitate the clearance prior to your travel.
While you are in authorized official travel status on official World Bank Group business on this assignment, you will be covered by the World Bank Groups Accidental Death and Dismemberment Insurance, limited medical insurance and Accompanying Baggage insurance policies. The World Bank Group also provides Worker’s Compensation insurance. Please note that these insurances will not cover you while on vacation or other personal trips before, during, or after an assignment with the World Bank. You are therefore advised to carry personal insurances covering such occasions.
Unless otherwise provided in your Terms of Reference, all intellectual property rights in or relating to any works produced during the course of your appointment shall belong to the Bank. All materials produced or acquired under terms of this contract - written, graphic, film, magnetic tape, or otherwise - shall remain the property of the World Bank unless such rights are explicitly relinquished by the World Bank, in writing. The World Bank furthermore retains the exclusive right to publish or disseminate in all languages reports arising from such materials. The rights and duties provided for in this paragraph shall continue, notwithstanding the termination of employment and agreed Terms of Reference.
You also agree that all knowledge and information not already within the public domain which you may acquire from the World Bank or its employees or by virtue of your assignment shall for all time and for all purposes be regarded by you as strictly confidential and held by you in confidence, and shall not be directly or indirectly disclosed by you to any person whatsoever excepting with the World Bank written permission. You further agree that you will comply with the World Bank’s Information Security Policy, as set forth in AMS 6.21.
You are responsible for being familiar with the conflict of interest rules, contained in Staff Rules 3.02 and 3.03 [
Hof: ‘Employment Outside the Bank Group’ en ‘Financial Interest and Disclosure’], that apply to you and members of your immediate family during your employment with the Bank and for two years after termination of your assignment.
You are also responsible for being familiar with the Corporate Procurement Policies and Procedures Manual and the additional requirements regarding conflict of interest contained in Annex A Standards of Conduct. These may be found at: [website 2] . Should any actual or apparent conflicts of interest arise during your appointment, you are required to bring these to the attention of your manager.
While employed as a Short Term Consultant or Short Term Temporary you and members of your immediate family may not be employed by member governments or other entities on World Bank Group financed projects during the period of your employment with the World Bank Group, if the work is for the same country. In addition, for a period of two years after termination of such employment, you should not seek or accept work connected with projects or operations that were your direct concern or make use of material acquired during assignments, unless the prior consent of the World Bank has been obtained, as per Staff Rule 3.02 [
Hof: ‘Employment Outside the Bank Group’].
Current and former Bank Group staff, regardless of appointment type held, are ineligible to be Bank Group vendors or subcontractors to Bank Group vendors, whether as sole proprietors or independent contractors, during their appointment and for a period of twelve months (Cooling Off Period) from the termination date of their Bank Group appointment. This Cooling Off Period also applies to companies in which a current or former Bank Group staff member is an owner, principal, director or officer, or holds a financial interest. The Cooling Off Period also applies to companies with which close relatives (spouses, parents, full and half siblings, children, aunts, uncles, nieces, nephews and domestic partners of current or former Bank Group staff are owners, principals, directors or officers or hold a financial interest. In the context of the Cooling Off Period, financial interest does include negligible stock holdings in entities listed on the S&P 1200. Additional information regarding these restrictions may be found at: [website 3] .
(…)
Short Term Consultants or Short Term Temporaries may not start work or travel until all pages of the signed Letter of Appointment have been submitted.
Please indicate your acceptance of this offer of appointment and your understanding of its terms and conditions by signing and returning all pages of the letter, not just the signature page by fax to […] . By signing your Letter of Appointment, you also acknowledge that you have received, read and understand its enclosures.”
2.4.
Belanghebbende heeft voor zijn werkzaamheden voor de Wereldbank in de jaren 2016-2018 de volgende vergoedingen ontvangen: € 88.045 (2016), € 100.822 (2017) en
€ 17.861 (2018). In zijn aangiften IB/PVV voor deze jaren heeft belanghebbende deze bedragen niet opgenomen of deze aangemerkt als vrijgestelde inkomensbestanddelen. Daartegenover heeft hij bedrijfslasten in aftrek gebracht (afschrijvingen vaste bedrijfsmiddelen, verkoopkosten, andere kosten). Ter zake van [eenmanszaak] heeft hij aldus in zijn aangiften IB/PVV in deze jaren de volgende winsten aangegeven: -/- € 22.888 (2016),
-/- € 29.137 (2017) en -/- € 7.074 (2018).
2.5.
Belanghebbende had van 1 januari 2016 tot 9 september 2019 zijn woonplaats in Nederland.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“11. Van een bron van inkomen is sprake als wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het doel om voordelen te behalen en het behalen van dat voordeel redelijkerwijs kan worden verwacht. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar maar feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.[2]
12. Nu eiser een negatief resultaat in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door eiser beoogde voordeel ook redelijkerwijs kon worden verwacht.
13. De rechtbank stelt voorop dat in het Besluit [
Hof: het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 20 september 1999, Positie short term consultants bij de Wereldbank, nr. IFZ99/1044] is goedgekeurd dat short term consultants van de Wereldbank kunnen worden beschouwd als functionarissen van een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties, die vrijstelling genieten van belasting op salarissen en emolumenten. Op basis van het Besluit zijn de door eiser genoten inkomsten van de Wereldbank aldus vrijgesteld als loon uit dienstbetrekking. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat de met die inkomsten gemoeide (in aftrek gebrachte) kosten niet voor aftrek in aanmerking komen.
14. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat naast zijn werkzaamheden voor de Wereldbank sprake is van een bron van inkomen. Eiser heeft in de jaren 2016 tot en met 2018 namelijk niet tot nauwelijks andere werkzaamheden verricht dan die voor de Wereldbank en vanaf het jaar 2015 zijn enkel negatieve resultaten als winst uit onderneming in de aangiften IB/PVV opgenomen. Dit betekent dat in 2018 geen sprake is geweest van ondernemerschap in de zin van de wet IB 2001 en dat verweerder het negatieve resultaat van € 5.873 daarom terecht niet in aanmerking heeft genomen bij de vaststelling van het box 1-inkomen. Hetgeen eiser overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep is in zoverre ongegrond.
15. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om een schadeloosstelling van maximaal € 10.000 af. Voor een schadeclaim dient eiser zich tot de burgerlijke rechter te wenden.
(…)
[2] Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de Inspecteur de aanslag en de rentebeschikking naar de juiste bedragen heeft vastgesteld. De vragen die partijen verdeeld houden, zijn of de Inspecteur terecht aftrek van de door belanghebbende aangegeven kosten in verband met zijn werkzaamheden voor de Wereldbank heeft geweigerd, de mkb-winstvrijstelling aan belanghebbende heeft onthouden en een stakingsverlies van aftrek heeft uitgesloten. Belanghebbende beantwoordt die vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert – naar het Hof begrijpt – tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag en dienovereenkomstige vermindering van de rentebeschikking.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Bron van inkomen
5.1.1.
De Inspecteur betwist dat de werkzaamheden van belanghebbende voor [eenmanszaak] in het jaar 2018 voor hem een bron van inkomen vormen. Hij wijst erop dat belanghebbende in de jaren 2016 tot en met 2018 nog slechts één opdrachtgever heeft (met uitzondering van een beperkte opdracht voor de […] in 2017), dat hij voor de jaren 2015 tot en met 2023 een verlies heeft aangegeven, en dat hij voor het jaar 2024 geen resultaat heeft aangegeven. Pas vanaf 10 november 2024 krijgt belanghebbende weer nieuwe opdrachten, maar dan van […] .
5.1.2.
Belanghebbende meent dat zijn werkzaamheden wel degelijk een bron van inkomen vormen. Dat hij sinds een herseninfarct in mei 2018 en de daarop volgende coronapandemie enige tijd weinig werk heeft gehad is een situatie van overmacht die hem niet mag worden tegengeworpen, aldus belanghebbende.
5.1.3.
Werkzaamheden vormen een bron van inkomen als aan drie vereisten is voldaan. Er dient sprake te zijn van deelname aan het economische verkeer, de belastingplichtige dient met de werkzaamheden het behalen van voordeel te beogen en het behalen van dat voordeel dient naar objectieve maatstaven in redelijkheid te verwachten te zijn (objectieve voordeelsverwachting). Tussen partijen is, naar het Hof begrijpt, niet in geschil dat belanghebbende met [eenmanszaak] deelneemt aan het economische verkeer en dat hij daarmee voordeel beoogt. Tussen partijen is slechts in geschil of in het onderhavige jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.
5.1.4.
De belastingrechter dient tot een redelijke verdeling van de bewijslast te komen. Als hoofdregel heeft daarbij te gelden dat een partij de stelplicht en bewijslast draagt ter zake van de feiten en omstandigheden waaraan het recht de door haar ingeroepen gevolgen verbindt (zie HR 26 mei 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2893; vgl. HR 24 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3392, r.o. 3.4). Dat betekent in het algemeen dat de inspecteur de bewijslast heeft van feiten die de belastingschuld verhogen en de belastingplichtige van feiten die de belastingschuld verminderen. In dit geval rust de bewijslast voor het bestaan van een objectieve voordeelsverwachting, en daarmee het bestaan van een bron van inkomen, op belanghebbende, aangezien belanghebbende in zijn aangifte een verlies uit onderneming in aftrek wil brengen op zijn inkomen uit werk en woning.
5.1.5.
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Belanghebbende heeft jarenlang zijn brood verdiend met de door hem verleende adviesdiensten. Dat geldt ook voor de jaren 2016-2018. In deze periode overtreffen de baten in bedrijfseconomische zin telkenjare ruimschoots de lasten. De aangegeven verliezen vloeien uitsluitend voort uit de toepassing van een vrijstelling. Daarvan moet naar het oordeel van het Hof worden geabstraheerd bij de vraag of sprake is van een bron van inkomen, aangezien de bronvraag aan de toepassing van vrijstellingen voorafgaat.
5.1.6.
Dat belanghebbende naast zijn advieswerkzaamheden voor de Wereldbank, die hij heeft verantwoord in de jaarrekening van [eenmanszaak] , in het onderhavige jaar nog een tweede bron van inkomen zou hebben, acht het Hof niet aannemelijk, aangezien concrete aanwijzingen daarvoor ontbreken. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat hij diverse acquisitiewerkzaamheden heeft ondernomen, maar deze stellingen vormen naar het oordeel van het Hof onvoldoende grondslag voor de conclusie dat belanghebbende naast zijn werk voor de Wereldbank losstaande activiteiten ontplooide waaraan hij een objectieve voordeelsverwachting mocht ontlenen. Ook de ontvangst van een geringe kostenvergoeding van de […] voor een in 2017 uitgevoerde training volstaat daarvoor niet.
Verdragstoepassing
5.2.1.
Met het oog op de proceseconomie zal het Hof nu eerst ingaan op het geschilpunt betreffende de verdragstoepassing. In §19, aanhef en letter b, van het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties is bepaald dat de functionarissen der gespecialiseerde organisaties dezelfde vrijstelling van belasting op de salarissen en emolumenten genieten, welke door de gespecialiseerde organisatie en op dezelfde voorwaarden worden uitbetaald, als door de functionarissen van de Verenigde Naties genoten worden. Op grond van §18, aanhef en letter b, van het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties zullen de functionarissen van de Verenigde Naties vrijgesteld zijn van belasting op de salarissen en emolumenten, welke door de Verenigde Naties aan hen worden uitbetaald.
5.2.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende (al dan niet met toepassing van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 20 september 1999, nr. IFZ99/1044) kan worden aangemerkt als functionaris van een gespecialiseerde organisatie. Dat daarvoor het bestaan van een dienstbetrekking vereist is, waarvan de Inspecteur uitgaat, vermag het Hof niet in te zien, aangezien de aangehaalde bepalingen geen voorwaarden stellen aan de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen de organisatie en de functionaris naar het toepasselijke nationale recht.
5.2.3.
Uit die bepalingen volgt verder niet uitdrukkelijk op welke wijze de omvang van het vrij te stellen inkomen dient te worden bepaald. Het ligt dan naar het oordeel van het Hof in de rede om daarvoor aan te sluiten bij het nationale recht, zodat de desbetreffende salarissen en emolumenten worden vrijgesteld naar het bedrag waarvoor zij in de grondslag zijn begrepen. Naar het oordeel van het Hof doet deze toepassing van de verdragsbepalingen ook recht aan een hoofddoelstelling daarvan, te weten de gelijke behandeling van functionarissen met een woonplaats in verschillende staten (zie bijvoorbeeld Report of the Preparatory Commission of the United Nations, UN-Doc PC/20, 23 december 1945, p. 62-63; United Nations General Assembly Resolution 78(1), 7 december 1946; United Nations Juridical Yearbook 1968, dl. 2, hfdst. 6, p. 214). Immers, een vrijstelling van het bruto inkomen zou ertoe leiden dat de effectieve belastingdruk op het netto salaris en de netto emolumenten van een functionaris alsnog afhankelijk wordt gesteld van het belastingregime van de woonstaat.
5.2.4.
Belanghebbende heeft nog gewezen op de fiscale behandeling van ‘short term consultants’ van de Wereldbank in Canada, Frankrijk en de Verenigde Staten. Canada en Frankrijk geven hun onderdanen belastingvrijstelling. Zij bieden die faciliteit aan de Wereldbank als internationale organisatie. De Verenigde Staten kennen als enige land geen belastingvrijstelling voor de Verenigde Naties en derhalve ook niet voor de Wereldbank. Amerikaanse ‘short term consultants’ ontvangen daarom een gebruteerde beloning. Naar het oordeel van het Hof verandert dit echter niets aan de hiervoor gegeven uitleg. Indien sprake zou zijn van een algemeen aanvaarde praktijk, zou dit weliswaar op grond van artikel 31, lid 3, letter b, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van belang kunnen zijn voor de uitleg van de verdragsbepalingen (HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264, r.o. 3.3.6), maar uit de voorbeelden kan geen algemene praktijk worden afgeleid, laat staan enige consensus dat salarissen en emolumenten naar hun bruto bedrag dienen te worden vrijgesteld.
5.2.5.
De hiervoor gegeven uitleg van de verdragsbepalingen brengt mee dat het door belanghebbende bepleite rechtsgevolg niet kan intreden, omdat – veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat hij als ondernemer zijn kosten in aftrek kan brengen voor de inkomstenbelasting – niet het bruto, maar het netto inkomen dient te worden vrijgesteld. Aangezien de door belanghebbende opgevoerde lasten algemene kosten betreffen voor de activiteiten die hij onder de naam [eenmanszaak] uitvoerde en die activiteiten in het onderhavige jaar uitsluitend bestonden uit zijn werk voor de Wereldbank, bestaat bij toepassing van de vrijstelling geen recht op kostenaftrek. Alsdan zijn immers alle kosten toerekenbaar aan het vrijgestelde inkomen. Dat belanghebbende tijd investeerde in acquisitie voor andere werkzaamheden (onder meer in de vorm van pro bono advieswerk) maakt dat niet anders, omdat zodanige werkzaamheden in 2018 geen zelfstandige bron van inkomen vormden noch enige opbrengsten genereerden, en evenmin is gesteld welke kosten daaraan toerekenbaar zijn, nog daargelaten dat niet duidelijk is geworden of het om vrijgestelde activiteiten zou gaan. De betaling van de […] acht het Hof in dit verband niet relevant, aangezien het om een kostenvergoeding ging die bovendien van verwaarloosbare omvang was.
Overige grieven
5.3.1.
In het midden kan blijven of de werkzaamheden van belanghebbende in het onderhavige jaar zijn verricht in het kader van een onderneming of een dienstbetrekking. In beide gevallen leidt toepassing van de vrijstelling naar het oordeel van het Hof ertoe dat het inkomen dat belanghebbende heeft genoten van de Wereldbank in het onderhavige jaar op nihil moet worden gesteld, zoals ook is gebeurd in de aanslag. In het geval van een onderneming berust dat op de hiervoor besproken verdragstoepassing, in het geval van een dienstbetrekking op de omstandigheid dat het nationale recht niet voorziet in aftrek van de opgevoerde kosten.
5.3.2.
Nu het Hof hiervoor in 5.2.3 en 5.2.4 tot het oordeel is gekomen dat de vrijstelling moet worden toegepast op netto salarissen en emolumenten, waarvan de omvang moet worden bepaald met inachtneming van de toepasselijke nationale fiscale regels (in dit geval die van de Wet inkomstenbelasting 2001), behoeft het geschilpunt met betrekking tot de mkb-winstvrijstelling evenmin behandeling meer. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat belanghebbende in het onderhavige jaar voldoet aan alle voorwaarden voor toepassing daarvan, kan dat voor hem immers niet leiden tot een gunstiger uitkomst, aangezien het voorgaande oordeel reeds leidt tot een vrijstelling van het gehele netto inkomen ontvangen van de Wereldbank.
Stakingsverlies
5.4.1.
Belanghebbende heeft ten slotte nog betoogd dat indien zijn onderneming kennelijk in 2016 als gestaakt moet worden beschouwd, in het onderhavige jaar een stakingsverlies in aanmerking moet kunnen worden genomen.
5.4.2.
De Inspecteur heeft dit bestreden, omdat een zodanig verlies moet worden toegerekend aan het jaar waarin het is geleden en onduidelijk is wat het stakingsverlies precies behelst.
5.4.3.
Het betoog van belanghebbende faalt. Uit de door hem gestelde feiten vloeit niet voort dat hij in enig jaar een onderneming heeft gestaakt ter zake waarvan hij een stakingsverlies in aanmerking mag nemen en evenmin wat de omvang daarvan zou zijn.
Slotsom
5.5.
Gelet op het vorenoverwogene kunnen de grieven van belanghebbende niet slagen. Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, H.A.J. Kroon en R.A. Bosman, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout C. Maas
De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.