ECLI:NL:GHDHA:2026:162

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.213.813/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:166 BWArt. 2:374 BWArt. 1:12 ADW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens verhaalsfrustratie door verhangen activa binnen concern

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of bestuurders aansprakelijk zijn voor verhaalsfrustratie doordat zij activa van Ahlers, onderdeel van een concern, hebben verhangen binnen het concern, waardoor Ahlers leeg achterbleef en geen verhaal bood voor een vordering van Eurotransit van ruim €1,5 miljoen.

Het hof heeft een deskundigenbericht laten opstellen dat de commerciële waarde van het overgedragen agentschap aanzienlijk hoger inschat dan de feitelijke verkoopprijs in 2005. De deskundige concludeerde dat er vrijwel geen containeractiviteiten van Ahlers zijn overgedragen binnen het concern en dat er geen andere voor verhaal vatbare activa aanwezig waren. Eurotransit kon haar stelling dat containeractiviteiten elders binnen het concern werden voortgezet niet onderbouwen.

Het hof oordeelt dat het verhangen van het agentschap binnen het concern niet onrechtmatig is, maar dat bestuurders wel een ernstig verwijt treft omdat zij geen adequate voorziening hebben getroffen voor de vordering van Eurotransit, terwijl zij wisten of behoorden te weten dat deze vordering bestond. De schade wordt vastgesteld op €132.147 exclusief rente. De rechtbank had de schade gehalveerd wegens eigen schuld van Eurotransit, maar het hof handhaaft de toewijzing van de volledige schadevergoeding.

Het vonnis van eerste aanleg wordt vernietigd, de vordering van Eurotransit wordt toegewezen en Eurotransit wordt veroordeeld tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij de kosten van het deskundigenbericht door beide partijen worden gedeeld.

Uitkomst: Bestuurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €132.147 exclusief rente wegens verhaalsfrustratie door verhangen activa binnen het concern.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
Zaaknummers : 200.213.813/01 + 200.213.945/01 (gevoegd)
Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/497931 / HA ZA 16-301
Arrest van 3 februari 2026
in de zaak met nummer 200.213.813 van:
1. [appellant] ,
2. ( de erven van) wijlen [erflater] ,
wonende, respectievelijk gewoond hebbend te [woonplaats] ,
appellanten, tevens geïntimeerden in incidenteel appel – hierna: [appellant] en [erflater] ,
advocaat: mr. F.J.H. Krumpelman (Rotterdam),
tegen
EUROTRANSIT B.V. ,
gevestigd te Barendrecht,
geïntimeerde, tevens appellante in incidenteel appel – hierna: Eurotransit ,
advocaat: mr. M.J. Goedhart (Rotterdam),
en in de zaak met nummer 200.213.945 van
EUROTRANSIT B.V. ,
gevestigd te Barendrecht,
appellante – hierna: Eurotransit ,
advocaat: mr. M.J. Goedhart (Rotterdam),
tegen
LV VLAARDINGEN HOLDING B.V. ,
gevestigd te Vlaardingen ,
geïntimeerde – hierna: LV Vlaardingen Holding ,
advocaat: mr. F.J.H. Krumpelman (Rotterdam).
1. Het verdere procesverloop in de gevoegde zaken
1.1 Bij tussenarrest van 24 april 2024 zijn vervolgvragen voorgelegd aan de al ingeschakelde deskundige. Aansluitend is op 17 juli 2024 een voorschotbeschikking gegeven. Nadat daaraan was voldaan is de deskundige aan het werk gegaan.
1.2 Het aanvullende deskundigenbericht is op 17 februari 2025 ontvangen. Vervolgens heeft eerst Eurotransit een memorie na deskundigenbericht ingediend (met producties 52 en 53) en daarna [appellant] , [erflater] en LV Vlaardingen Holding (hierna tezamen: [appellant] c.s.) een ‘antwoord memorie na deskundigenbericht II’. Bij de nadien gegeven beschikking van 13 mei 2025 zijn de schadeloosstelling en het loon van de deskundige begroot, met instructie om het begrote bedrag uit het reeds gestorte voorschot te voldoen en het restant terug te betalen aan Eurotransit .
1.3 Partijen hebben onder overlegging van een aanvullend procesdossier opnieuw arrest gevraagd.

2.De verdere beoordeling van het hoger beroep in de gevoegde zaken

2.1
Hieronder volgt het eindoordeel over de verhaalsfrustratie die Eurotransit aan [appellant] c.s. verwijt. Meer concreet houdt dat verwijt in dat [appellant] c.s. de activa van Ahlers (onderdeel van het [concern] ) hebben verhangen binnen het [concern] , waardoor Ahlers leeg achterbleef en geen verhaal meer bood voor de (bij arrest van dit hof van 23 september 2013 toegewezen) vordering van Eurotransit van ruim € 1.5 miljoen.
het [agentschap]
2.2
Het belangrijkste actief van Ahlers was volgens Eurotransit het [agentschap]
; zij noemde het ‘de enige asset van betekenis’ (inl. dagv. nr. 82, erkenning c.v.a. nr. 23). Dit agentschap – dat goed was voor ongeveer de helft van de binnen Ahlers in 2004 behaalde omzet van ca. € 3,4 mln. – is in 2005 voor € 38.167 verkocht en overgedragen aan LV Agencies (onderdeel van het [concern] ). Eurotransit noemde dat ‘voor een appel en een ei’, iets waarmee [appellant] c.s. het niet eens zijn. Ten aanzien van het tegelijk (in 2005) verkochte cargadoorssoftwarepakket, waarvoor
€ 3.453,40 aan Ahlers is betaald, is door Eurotransit niet (gemotiveerd) gesteld dat die prijs evenmin realistisch was.
2.3
De deskundige – die (daarom) gevraagd was om zich uit te laten over de werkelijke/commerciële verkoopwaarde van het [agentschap] en over de aspecten die bij de waardebepaling van belang zijn – kwam uit op een bedrag van
(€ 204K voor en) € 152.700 na belasting. Dat bedrag is volgens de deskundige de prijs die in vrije onderhandelingen tussen goed geïnformeerde, willige partijen als basis voor de waarde zou zijn tot stand gekomen.
2.4
Genoemd bedrag van € 152.700 – dat dus aanmerkelijk hoger ligt dan de
€ 38.167 die er in het kader van het verhangen aan is toegekend (€ 152.700 -/- € 38.167 = € 114.533), maar tegelijk (een stuk) lager dan de paar ton die het volgens opgave/schatting van Eurotransit ter zitting van 8 mei 2020 waard was – is inclusief een bijtelling van € 74.500 als (netto) resultaat op de doorbelasting. Het bezwaar van [appellant] c.s. tegen die bijtelling is in 3.9 van het vorige arrest wegens een gebrek aan onderbouwing verworpen.
de containeractiviteiten
2.5
In haar memorie na het eerste deskundigenbericht heeft Eurotransit zich op het standpunt gesteld dat ook de binnen Ahlers uitgeoefende containeractiviteiten elders binnen de [groep] zijn voortgezet en dat ook die containeractiviteiten een marktwaarde vertegenwoordigden ter hoogte van het bedrag waarop de deskundige het [agentschap] heeft gewaardeerd. Het bewijs daarvan kon volgens Eurotransit worden geleverd door aan de deskundige een vervolgopdracht te geven en hem te vragen om (op dezelfde wijze als waarop hij dit met betrekking tot het [agentschap] deed) ook de waarde te bepalen van de containeractiviteiten in 2005 en de jaren daarna.
2.6
Naar aanleiding hiervan is in het laatste tussenarrest als voorvraag aan de deskundige gesteld of de boekhoudkundige gegevens van de [groep] steun bieden voor het standpunt van [appellant] c.s. dat (a) de containeractiviteiten binnen Ahlers vrijwel alle uit het netwerk van het Belgische Ahlers kwamen: (b) dat deze uit dat netwerk afkomstige opdrachten wegvielen na het afscheid van het Belgische Ahlers , die haar relaties zelf ging bedienen en (c) dat overige (niet uit het Ahlers netwerk voorvloeiende) containeractiviteiten binnen Ahlers / L.A. Container Import B.V. uiteindelijk zijn gestaakt (vanwege de door het knoflook debacle aan het licht gekomen risico’s) en dus niet zijn overgegaan naar andere vennootschappen uit de [groep] .
2.7
De deskundige heeft gerapporteerd dat hij de boekhoudkundige gegevens heeft beoordeeld en dat die geen sporen tonen van overgedragen containeractiviteiten. Ahlers International S.A. heeft in 2005 zelf, onder eigen naam, de containeractiviteiten voortgezet. Dit betreft (nagenoeg) 100% van de omzet, aldus de deskundige, die besluit met de conclusie dat er dus (nagenoeg) geen containeractiviteiten zijn overgedragen aan andere ondernemingen binnen de [groep] .
2.8
De tweede vervolgvraag aan de deskundige was of in 2005, toen de activiteiten van Ahlers werden overgedragen/gestaakt, nog andere voor verhaal vatbare (vlottende) activa binnen Ahlers aanwezig waren (dan het verkochte [agentschap] , het softwarepakket en eventuele containeractiviteiten): bijvoorbeeld een post debiteuren en zo ja wat daarvan de omvang was. Die vraag heeft de deskundige ontkennend beantwoord. Daarbij heeft hij erop gewezen dat, als activa en passiva juist zijn gewaardeerd en bij staking/liquidatie worden afgewikkeld tegen de getoonde waarde, het eigen vermogen als sluitpost toevalt aan de aandeelhouders. In dit geval was sprake van een negatief eigen vermogen, zodat er geen verhaalsmogelijkheid was voor niet op de betreffende balans getoonde passiva (zoals de niet ingediende vordering van Eurotransit ), aldus de deskundige.
2.9
Gelet op deze antwoorden moet de conclusie zijn dat Eurotransit , die als gezegd door middel van een vervolgopdracht aan de deskundige wilde bewijzen dat de binnen Ahlers uitgeoefende containeractiviteiten eenzelfde/soortgelijke marktwaarde hadden als het (eerder als ‘enige asset van betekenis’ aangewezen) [agentschap] , dat bewijs niet (op die wijze) heeft kunnen leveren.
2.1
In haar memorie noemt Eurotransit nog wel argumenten waarom de deskundige het volgens haar niet bij het rechte eind heeft. Die argumenten overtuigen niet.
Zo stelt zij dat onjuist is de vaststelling door de deskundige dat bij geen van de [vennootschappen] een substantiële toename van omzet is te zien. Het aanvullende deskundigenbericht bevat echter niet een dergelijke vaststelling: wat de deskundige schrijft is dat de omzetontwikkeling van de groepsvennootschappen geen sporen toont van overgedragen containeractiviteiten. Voor het door haar beweerde tegendeel wijst Eurotransit op een toename van de omzet die er is geweest binnen LV Container Trucking en LV Agencies , maar zij betrekt daarbij bijvoorbeeld niet dat (wat zij niet heeft ontkend) bij LV Shipping & Logistics de omzet juist is achtergebleven bij het budget. Ook is er geen gemotiveerde tegenspraak van de mededeling van [appellant] c.s. in hun brief van 11 oktober 2024 aan de deskundige dat LV Container Trucking al eerder hogere omzetcijfers kende en volstrekt andersoortige activiteiten verrichtte dan Ahlers en gaat Eurotransit niet in op de opmerking van [appellant] c.s. in de brief van 11 oktober 2023 aan de deskundige dat (met LV Agencies ) in de tweede helft van 2005 marginaal meer omzet is gemaakt ten opzichte van de eerste helft van dat jaar, met een verschil in brutomarge van (€ 129.115 -/- € 114.549 =) € 14.566. Dat die (marginale) toename komt door of wijst op het overnemen van (een deel van) de containeractiviteiten van Ahlers spreekt niet voor zich en volgt niet reeds uit de notering in het Handelsregister dat LV Agencies ook expeditie werk verricht en/of uit de vermelding op de website van de groep dat alle vennootschappen ‘offer the full range of container logistics activities including […].’ Overigens blijkt ook niet dat Eurotransit de deskundige heeft gevraagd om te bezien of de (marginale) toename van de omzet bij LV Agencies , in weerwil van de ontkenning hiervan door [appellant] c.s., gevolg is van het door LV Agencies (zonder vergoeding) overnemen van binnen Ahlers uitgeoefende containeractiviteiten.
2.11
In het vorige tussenarrest is erop gewezen dat Eurotransit desgevraagd verklaard heeft dat zij tot dan toe niet bij het Belgische Ahlers had nagevraagd of het inderdaad niet klopt wat [appellant] c.s. hebben verklaard, namelijk dat nagenoeg alle containeractiviteiten van Ahlers uit het netwerk van Ahlers International S.A. kwamen en na de ontvlechting wegvielen en dat wat er aan containeractiviteiten binnen Ahlers ( L.A. Container Import B.V. ) overbleef niet is overgenomen door/overdragen aan (een) andere tot de [groep] behorende vennootschap(pen), maar is gestaakt.
Niet blijkt dat die navraag er inmiddels wel is geweest, althans dat van de zijde van het Belgische Ahlers of uit andere bron informatie is verkregen die steun biedt aan het door Eurotransit ingenomen standpunt over het verhangen van de containeractiviteiten. Dat standpunt is – tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [appellant] c.s. en de andersluidende bevinding van de deskundige – ook overigens onvoldoende onderbouwd gebleven. En hoezeer ook Eurotransit het beëindigen van de activiteiten en nadien (nagenoeg) leeg achterlaten van Ahlers wil doen zien als een (directe) reactie op de door Eurotransit op Ahlers gepretendeerde claim, feit blijft, althans niet weersproken is, (i) dat al (ruim) voor die claim was besloten tot het beëindigen van de samenwerking binnen de joint venture LV Ahlers B.V., (ii) dat het Belgische Ahlers zelf een vestiging in Rotterdam is begonnen en (iii) dat de naam Ahlers uit de bedrijfsnaam van Ahlers diende te worden verwijderd. Dat laatste is vastgelegd in de ‘Ontbinding samenwerking joint venture LV Ahlers B.V.’ van 15 april 2005.
Hierbij komt nog de (door [appellant] c.s. gestelde en door Eurotransit niet gemotiveerd weersproken) omstandigheid dat de basis voor de samenwerking tussen (de) [groep] en het Belgische Ahlers was dat [naam groep] de containerafhandeling voor het Belgische Ahlers in Rotterdam verzorgde en dat, toen die samenwerking intensiever werd, [naam groep] die activiteit middels de aandeelhoudersovereenkomst inbracht in Ahlers . Dat het einde van de samenwerking, ook (in belangrijke mate) het einde van de containeractiviteiten van Ahlers betekende, is, anders dan Eurotransit ingang wil doen vinden, ook om die reden niet per se ongeloofwaardig. Een en ander maakt dat geen reden bestaat om op de door Eurotransit aangevoerde gronden voorbij te gaan aan de conclusie van de deskundige dat (nagenoeg) geen containeractiviteiten van Ahlers zijn overgedragen aan andere ondernemingen binnen de [groep] .
het debiteurensaldo
2.12
Eurotransit stelt dat, indien Ahlers in 2005 niet in staat zou zijn geweest om Eurotransit te voldoen, Ahlers dan in staat van faillissement zou zijn gekomen, in welk geval zij ( Eurotransit ) zich als douane-expediteur op grond van art. 1:12 ADW Pro met voorrang had kunnen verhalen op de (door haar veronderstelde) post uitstaande debiteuren, waarmee zij een groot deel van haar vordering betaald had gezien. Ahlers is in 2005 echter niet gefailleerd. En Eurotransit heeft toen en ook nadien niet haar faillissement aangevraagd; vergelijk de in het proces-verbaal van 31 oktober 2016 opgetekende mededeling van haar raadsman: ‘De strategie van mijn cliënten was om eerst de kwesties uit te procederen.’ Gelet op de vereisten die gelden voor faillietverklaring heeft Eurotransit ook onvoldoende toegelicht waarom het ervoor moet worden gehouden dat (de door haar gewraakte verhaalsfrustratie/het onrechtmatige handelen weggedacht) Ahlers in 2005 zou zijn gefailleerd. Zo is gesteld noch gebleken dat sprake was van een situatie dat Ahlers haar schuldeisers onbetaald liet (pluraliteit), terwijl de schuld aan Eurotransit werd betwist.
Tegen deze achtergrond volgt uit de stellingen van Eurotransit niet dat zij, indien al mogelijk, in 2005 (kenbaar) met voorrang aanspraak wenste te maken op een eventueel uitstaand debiteurensaldo en nog minder dat [appellant] c.s. zich hiervan bewust behoorden te zijn en onrechtmatig hebben gehandeld door (van) dat eventuele saldo niet (een bedrag) af te zonderen ten behoeve van een mogelijke voorrang van de claim van Eurotransit . Anders dan Eurotransit stellen is het ook niet zo dat [appellant] c.s. niet hebben uitgelegd wat er met de post handelsdebiteuren is gebeurd. Het is een post die niet los kan worden gezien van de post handelscrediteuren: het geld dat betaald wordt door handelsdebiteuren gaat er aan de andere kant van de balans/V&W-rekening weer uit, voornamelijk richting handelscrediteuren (zoals de rederij [agentschap] voor wie de vrachtpenningen zijn geïncasseerd bij de handelsdebiteuren in het kader van het agentschap, minus de kleine vergoeding voor de agent), maar ook richting personeel, juridische kosten, etc., aldus [appellant] c.s.
de verkoopwaarde van de onderneming
2.13
Als derde vervolgvraag is aan de deskundige gesteld wat medio 2005 de commerciële verkoopwaarde van de onderneming (de gezamenlijke activa en passiva van Ahlers ) was als de vordering van Eurotransit buiten beschouwing wordt gelaten. Het antwoord van de deskundige luidt: € 240,7K. Dat bedrag is een optelsom van
€ 152,7K voor het [agentschap] en € 88K voor de containeractiviteiten.
Deze vraag was gesteld voor het geval het ervoor zou moet worden gehouden dat, in weerwil van de ontkenning hiervan door [appellant] c.s., de containeractiviteiten van Ahlers wél zijn verhangen en elders binnen de [groep] zijn voortgezet. Dat geval doet zich echter niet voor; de juistheid van het standpunt dat Eurotransit hierover gedurende de procedure heeft ingenomen is gebleken noch aannemelijk geworden. Het bedrag van € 240,7K wordt daarom verder buiten beschouwing gelaten. Weliswaar houdt de deskundige een slag om de arm met de conclusie dat er ‘(nagenoeg)’ geen containeractiviteiten zijn overgedragen, maar zijn bevindingen wijzen er niet op dat, voor zover er (in weerwil van de betwisting hiervan door [appellant] c.s.) toch enige containeractiviteiten zijn overgegaan naar (bijvoorbeeld) een groepsmaatschappij, daar een (substantiële) marktwaarde aan kan worden toegekend. Het is ook niet aan de deskundige gevraagd, terwijl dit, naar aanleiding van diens bevindingen, wel voor de hand had gelegen, mocht Eurotransit het standpunt hebben willen innemen (i) dat het (bij het tussen haakjes geplaatste ‘nagenoeg’) om een op geld waardeerbaar bedrag ging en (ii) dat [appellant] c.s. een ernstig verwijt treft dat zij dit niet voor haar hebben gereserveerd.
de verhaalsfrustratie nader beschouwd
2.14
Herhaald wordt dat op zichzelf genomen niet als onrechtmatige daad (jegens Eurotransit ) valt aan te merken dat de [groep] , na de ontvlechting van het samenwerkingsverband met het Belgische Ahlers , ervoor koos om de (bestaande en toekomstige) agentuurwerkzaamheden, althans het overgenomen [agentschap] , onder te brengen in een aparte, nieuw verworven groepsvennootschap ( LV Agencies ), in plaats van deze activiteit – wat had gekund, ook op grond van (bepaling 7 van) de ontbindingsovereenkomst van 15 april 2005 met het Belgische Ahlers – voort te zetten en zo mogelijk uit te breiden binnen het bestaande Ahlers , ook al was die laatste vennootschap volgens [appellant] c.s. (oorspronkelijk) bedoeld voor containerimport. Een dergelijke herstructurering valt onder de inrichtingsvrijheid van het concern; van die vrijheid mocht gebruik worden gemaakt ook al was er (de dreiging van) een claim van Eurotransit , die als strategie koos om de gegrondheid van die claim eerst in rechte te laten vaststellen. Wat daarbij wel had mogen worden verlangd – van Ahlers , haar bestuurder [appellant] en feitelijk beleidsbepaler [erflater] , de (door [erflater] bestuurde) moedervennootschap, die de nieuwe groepsvennootschap naar voren schoof, en van [appellant] en [erflater] als bestuurders van die nieuwe groepsvennootschap – is (i) dat bij het verhangen van het (ook door [appellant] c.s. als enige asset van betekenis aangemerkte) agentschap en het bijbehorende actief een waardering op going concern-basis/tegen marktwaarde zou plaatsvinden en (ii) dat – bij het vervolgens staken van de verdere activiteiten – het resterende saldo aan activa als voorziening beschikbaar zou worden gehouden ten behoeve van de schuldeisers van Ahlers . Een en ander temeer nu de feitelijke situatie na juli/augustus 2005 kennelijk aldus was dat er na dit verhangen geen (noemenswaardige) bedrijfsactiviteiten/activa overbleven binnen Ahlers ; vgl. [appellant] c.s. in hun c.v.a. punt 33: ‘Feit is ook dat op 10 juli 2005 alle bedrijfsactiviteiten alsmede de daaraan gerelateerde activa zijn overgedragen aan een groepsmaatschappij.’ en Eurotransit in haar memorie na het 1e deskundigenbericht: ‘Vanaf augustus 2005 wordt er nagenoeg geen omzet meer gerealiseerd in Ahlers (op een enkele nabetaling na)’. Dat er een forse naheffing zat aan te komen was toen al bekend en dat Eurotransit die op Ahlers zou willen verhalen viel eveneens te verwachten: op 26 juli 2005 vroeg zij Ahlers om een bankgarantie van € 3.5 mln. met het oog op de verwachte schade. Het moet dan ook ervoor worden gehouden dat [appellant] c.s. in juli 2005 wisten of redelijkerwijs behoorden te weten dat de door hen bewerkstelligde of toegelaten handelwijze (het overdragen van de bedrijfsactiviteiten en de daaraan gerelateerde activa, zonder het treffen van een adequate voorziening) tot gevolg zou hebben dat Ahlers haar toen nog in dispuut zijnde verplichtingen, met het bestaan waarvan ernstig rekening diende te worden gehouden, in het geheel niet zou nakomen en daarvoor geen enkel verhaal zou bieden. Hun treft hiervan een ernstig verwijt, zowel als groep (art. 6:166 BW Pro) als elk afzonderlijk. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de vordering van Eurotransit op Ahlers door Ahlers werd betwist en eerst nadien is toegewezen (bij onherroepelijk geworden arrest van 24 september 2013), nadat eerst (overigens na 10 juli 2005) in kort geding in het voordeel van Ahlers was beslist: dat betekende niet dat niet ernstig rekening behoorde te worden gehouden met het bestaan van deze (mogelijke) verplichting, wat had gekund door het vermogenssaldo dat bij beëindiging van de activiteiten (in de 2e helft van 2005) resteerde te reserveren voor die (mogelijke) verplichting. (Vgl. in dit verband HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:829 en nr. 2.14 e.v. van de bijbehorende conclusie AG.).
Toegevoegd wordt (i) dat het bepaalde in art. 2:374 BW Pro niet in de weg staat aan het treffen van een voorziening in een geval als het onderhavige, waarin het enige actief van betekenis wordt verhangen, waardoor er, zonder voorziening, geen verhaalsmogelijkheid overblijft voor verplichtingen waarmee ernstig rekening moet worden gehouden en (ii) dat (niet voldoende concreet) gesteld of gebleken is dat na de beëindiging betalingen hebben plaatsgevonden die selectief en onrechtmatig waren.
2.15
Overigens is de tegenwerping van [appellant] c.s. steeds geweest dat het agentschap in 2005 tegen marktwaarde is gewaardeerd. Zo staat het ook in het jaarbericht 2005 van Ahlers : ‘Beëindiging bedrijfsactiviteiten De vennootschap heeft op 10 juli 2005 haar activiteiten alsmede gerelateerde activa overgedragen aan een groepsmaatschappij. De overdracht heeft plaatsgevonden tegen marktprijs. Als gevolg van deze transactie heeft de vennootschap een bate gerealiseerd van € 38.167.’ Die prijs (€ 38.167) berust volgens [appellant] c.s. op een door de interne accountant (dr. [accountant] ) gemaakte waardering (onderdeel van productie 6 bij de als productie 4 bij het deskundigenbericht van 24 december 2021 overgelegde brief van mr. Krumpelman van 4 oktober 2021), die gecheckt is door, althans afgestemd is met, de externe accountant van [bedrijf ] . Ook hebben zij erop gewezen dat het agentschap destijds om niet uit een faillissement is aangekocht en in 2018 ook weer om niet is verkocht. Dit alles laat echter onverlet dat de deskundige – die heeft acht geslagen op de door hem als ‘zeer eenvoudig van opzet’ aangemerkte berekening van de heer [accountant] – is uitgekomen op een aanmerkelijk hoger bedrag dan in 2005 aan het agentschap is toegekend. Aan die uitkomst (van de deskundige) wordt in dit verband meer gewicht toegekend dan aan de door [appellant] c.s. genoemde omstandigheden. Die vormen geen voldoende aanwijzing dat de in 2005 gebezigde koopsom berustte op een zorgvuldige, realistische, waardering, waarbij, behalve met de belangen van het groepsverband, ook voldoende rekening was gehouden met die van de schuldeisers van Ahlers . Er is door [appellant] c.s. bijvoorbeeld niet een gemotiveerde verklaring van bedoelde externe accountant (of van een waarderingsdeskundige) overgelegd, waaruit blijkt dat en waarom de waardering door de gerechtsdeskundige niet klopt, althans het, realistisch bezien, moet afleggen tegen die van de interne accountant. Ook overigens mist de betwisting door [appellant] c.s. (dat zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat het verhangen actief een aanzienlijk hogere waarde vertegenwoordigde dan de feitelijk gebezigde koopprijs) een voldoende motivering. Die nadere motivering had er wel moeten zijn, temeer omdat sprake was van een overdracht binnen de groep, waarbij het hanteren van een volgens objectieve maatstaven berekende marktconforme overdrachtsprijs niet voor zich spreekt. Concrete aanwijzingen dat een zorgvuldige waardering destijds zou hebben geleid tot een wezenlijk andere uitkomst dan die van de gerechtsdeskundige ontbreken.
2.16
De vraag tot welke schade het aan [appellant] c.s. te verwijten handelen heeft geleid wordt als volgt beantwoord. [appellant] c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat het binnen Ahlers in 2005 behaalde (en aan de algemene reserve toegevoegde) resultaat van € 17.614 ‘vooral kwam door de bate gemoeid met beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van ad € 38.167’. Dit laatste bedrag is de verkoopopbrengst van het [agentschap] . Als gezegd (2.4) kwam de deskundige € 114.533 hoger uit. Dat bedrag wordt opgeteld bij het behaalde resultaat van € 17.614 = € 132.147. (Voor het softwarepakket wordt niet een extra bedrag opgeteld, omdat gesteld noch gebleken is dat het door Ahlers daarvoor ontvangen bedrag niet realistisch was.) Indien een bedrag in die omvang (€ 132.147) ten behoeve van de schuldeisers zou zijn gereserveerd in 2005, zou er geen grond bestaan voor aansprakelijkheid van [appellant] c.s. Aangenomen wordt verder dat Eurotransit zich dan (met voorrang) op dat gereserveerde bedrag had kunnen verhalen; uit het betoog van [appellant] c.s. blijkt niet, althans onvoldoende, dat er nog andere ten laste van dat te reserveren bedrag komende verplichtingen waren. Voor het (op dat in/over 2005 te reserveren bedrag) in mindering brengen van bijvoorbeeld (verdere) juridische/advocaten kosten met betrekking tot het geschil over de aansprakelijkheid voor de knoflookclaim bestaat geen goede grond, reeds niet omdat er niet van kan worden uitgegaan dat die kosten zouden zijn gemaakt indien bedoelde reservering was getroffen. Los daarvan hebben [appellant] c.s. niet (op inzichtelijke wijze en gespecificeerd) het standpunt betrokken dat een ten behoeve van de schuldeisers gereserveerd bedrag naar aan andere schuldeisers zou zijn gegaan of voor andere doeleinden zou zijn aangewend.
Toegevoegd wordt dat Eurotransit niet – althans niet (ook voor [appellant] c.s.) voldoende duidelijk – heeft aangevoerd dat het Ahlers niet vrij heeft gestaan om – in 2005 – andere (lopende) verplichtingen (waarvan zij de verschuldigdheid niet betwistte) te betalen (genoemd zijn o.a. algemene verkoopkosten, beheerskosten). In alles wat is aangevoerd valt niet een voldoende uitgewerkt betoog te lezen dat in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt op het uitgangspunt dat een bestuurder een eigen afweging mag maken om te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan (vgl. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576, rov. 3.5.1, onder verwijzing naar HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9654, rov. 4.1.2). Zo’n uitzondering is op zijn plaats als in het zicht van het staken van de onderneming schuldeisers die aan de vennootschap zijn gelieerd met voorrang zijn voldaan boven andere schuldeisers, zonder dat deze betalingen door bijzondere omstandigheden werden gerechtvaardigd (vgl. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576, rov 3.5.2 onder verwijzing naar HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669, rechtsoverweging 3.4.3).
De schade wordt daarom vastgesteld op het missen van een verhaalsmogelijkheid van
€ 132.147 exclusief rente. De rechtbank nam als ingangsdatum voor de wettelijke rente over het aan Eurotransit toegewezen bedrag: 6 augustus 2008. Die datum wordt ook genoemd in de vordering van Eurotransit zoals weergegeven in het vonnis. Hiertegen is geen grief gericht. Daarom wordt ook in hoger beroep 6 augustus 2008 als ingangsdatum voor de wettelijke rente aangehouden.
compensabele verlies
2.17
De deskundige heeft erop gewezen dat, vanwege het bestaan van een compensabel verlies, verkoop door Ahlers van het [agentschap] voor ca.
€ 153.000 zou hebben geleid tot een besparing in vennootschapsbelasting over die opbrengst van ca. € 15.000. De deskundige berekent dit bedrag als volgt:
‘ Eurotransit zou haar schade verhalen op LV, en niet alleen op de waarde van [agentschap] . De verkoopopbrengst van [agentschap] zou in de vennootschap LV worden geboekt. Bij verkoop tegen de waarde per 1 januari 2005 bedraagt de opbrengst na belasting (afgerond) €153K, en vóór belasting: € 204K. LV heeft een compensabel verlies van € 59,6K per 31 december 2004, afgerond € 60K. Van de verkoopopbrengst wordt in LV dan belast een bedrag van (€ 204K -/- €60K =) €144K. De bespaarde vennootschapsbelasting is dan 25% van € 60K = € 15K.’
2.18
De deskundige ziet die belastingbesparing niet als een aan het agentschap toe te voegen waarde, maar als een extra verhaalsmogelijkheid. Die zienswijze is echter niet uitgewerkt voor het geval tegelijk de forse verplichting richting Eurotransit wordt meegenomen bij het over 2005 behaalde resultaat. Voor een (ernstig)verwijt aan [appellant] c.s. dat zij het door de deskundige bedoelde bedrag niet hebben toegevoegd aan het te reserveren bedrag bestaat om onder meer die reden onvoldoende grond.
afrondende overwegingen
2.19
In het vonnis waarvan beroep (4.27) is de schade van Eurotransit vastgesteld op € 1.328.762,31. Daartegen is geen bezwaar gemaakt. Wel klaagt Eurotransit over de door de rechtbank toegepaste korting van 50% wegens eigen schuld, waardoor zij ‘slechts’ € 664.381,15 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 augustus 2008 kreeg toegewezen. De overweging van de rechtbank hierbij is (4.27) dat Eurotransit het gebrek aan verhaal op Ahlers voor een deel ook aan zichzelf te wijten heeft, omdat zij zich tevoren – en ook na de eerste aarzeling of het droge knoflook betrof – niet van enige zekerheid op verhaal heeft voorzien, terwijl ook zij moest begrijpen dat zij een aanzienlijk risico nam dat zich heeft verwezenlijkt. Die overweging is juist. Zie in dit verband de overwegingen 6.2.2 en 9 in het arrest van 11 februari 2020, die eenzelfde strekking hebben, namelijk dat Eurotransit de schade betrekkelijk eenvoudig had kunnen voorkomen door vooraf afdoende zekerheid te verlangen, wat onder douane-expediteurs (zeer) gebruikelijk is en hier ook voor de hand had gelegen. Ook in het kader van de tegen hen gerichte vordering uit hoofde van verhaalsfrustratie mogen [appellant] c.s. zich hierop beroepen. Eurotransits klacht (grief II in incidenteel appel) is dan ook ongegrond, maar had haar ingeval van gegrondheid ervan niet verder geholpen omdat de schade als gevolg van de verhaalsfrustratie is vastgesteld op het hierboven (2.16) genoemde bedrag van
€ 132.147 exclusief rente.
2.2
De slotsom is dat (in het principaal appel) het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en dat de vordering van Eurotransit dient te worden toegewezen zoals hieronder in het dictum is vermeld, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde en veroordeling van Eurotransit tot terugbetaling van het bedrag dat [appellant] en [erflater] ter uitvoering van het vonnis aan haar hebben betaald, vermeerderd met wettelijke rente. Aangezien partijen over en weer op enige punten in het ongelijk worden gesteld worden de proceskosten, gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt, met dien verstande dat de kosten van het deskundigenbericht (€ 14.500 voor het 1e rapport en € 11.525,25 voor het 2e rapport, opgeteld: € 26.025,25) door beide partijen voor de helft moeten worden gedragen:
€ 26.025,25 : 2 = € 13.012,63.
2.21
Terzijde wordt (in het kader van de kostencompensatie) overwogen dat [appellant] c.s. tijdens de zitting bij de rechtbank hebben voorgesteld om een bindend advies te laten uitbrengen over de waarde van de overgedragen activa, onder bepaling dat als de uitkomst zou zijn dat de in 2005 betaalde prijs te laag was, het meerdere als schade aan Eurotransit zou worden betaald. Het resultaat van deze (jarenlange) procedure is ongeveer hetzelfde.
2.22
De over en weer aangevoerde grieven kunnen niet tot een ander resultaat leiden en behoeven, na wat er al over is gezegd, geen nadere bespreking. Aan bewijsaanbiedingen, voor zover gehandhaafd, wordt voorbijgegaan: die zijn, tegen de achtergrond van wat o.a. door de deskundige is gerapporteerd, niet ter zake doen en ook onvoldoende gespecificeerd.

3.De beslissing

Het Hof, rechtdoende in de gevoegde zaken:
- vernietigt het vonnis waarvan beroep;
- veroordeelt [appellant] c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om aan Eurotransit te betalen een bedrag van € 132.147, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2008 tot aan de dag waarop dit bedrag is voldaan;
- veroordeelt Eurotransit tot terugbetaling (aan [appellant] en [erflater] ) van alles wat uit hoofde van het vernietigde vonnis is voldaan (een bedrag van
€ 871.265,41), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2017 tot aan de dag der voldoening;
- compenseert de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep (inclusief die van het voegingsincident), in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt, met dien verstande dat de kosten van het deskundigenbericht door partijen gezamenlijk moeten worden gedragen, in verband waarmee [appellant] c.s. worden veroordeeld om € 13.012,63 inclusief btw (zijnde de helft van de ten laste van de door Eurotransit betaalde
voorschotbedragen gebrachte betalingen aan de deskundige) aan Eurotransit te betalen, met bepaling dat over dit bedrag van € 13.012,63 wettelijke rente is verschuldigd vanaf vijf dagen na heden;
- verklaart deze uitspraak ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, A.J.P. Schild en R.F. Groos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026 in aanwezigheid van de griffer.