ECLI:NL:GHDHA:2025:677
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en beroep in hoger beroep
Belanghebbende, eigenaar van een parterre-portiekwoning uit 1936, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €506.000 voor het jaar 2022. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een waardematrix en vergelijkingsobjecten uit dezelfde buurt en bouwperiode. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De vergelijkingsobjecten zijn adequaat gekozen en verschillen in gebruiksoppervlakte en tuingrootte rechtvaardigen de hogere waarde van de woning. Belanghebbende kon onvoldoende aannemelijk maken dat de vergelijkingsobjecten in een betere staat verkeren of dat de waarde te hoog is.
Ook de stelling dat de motivering van de uitspraak op bezwaar onvoldoende zou zijn, werd verworpen. Het hof benadrukte dat de heffingsambtenaar de waarde met marktgegevens en taxatieverslagen heeft onderbouwd en dat de gebruikte meetnorm (NEN-2580) voor alle woningen gelijk is toegepast. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €506.000 wordt bevestigd.