Belanghebbende is eigenaar van een woning uit 1937 waarvan de WOZ-waarde voor 2022 is vastgesteld op €482.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, die het besluit vernietigde wegens schending van de toezendplicht, stelde het hof vast dat de heffingsambtenaar de benodigde stukken heeft toegezonden en de waarde niet te hoog is vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken volledig had verstrekt, waardoor het besluit vernietigd werd. De rechtbank stelde echter ook vast dat de waarde niet te hoog was en dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de woning in slechte staat was en dat de waardering op onderhoud en voorzieningen te hoog was. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar deze factoren reeds op 'slecht' had gewaardeerd en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een lagere waardering op zijn plaats was.
Ook betwistte belanghebbende de waardering van vergelijkingsobjecten, maar het hof vond dat de gebruikte vergelijkingsobjecten passend waren en dat de waardering van de woning niet te hoog was vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.