ECLI:NL:GHDHA:2025:2736

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
BK-25/7
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) en CO2-uitstoot

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag bpm van € 4.064, opgelegd door de Inspecteur. De belanghebbende had eerder aangifte gedaan voor de registratie van een Alfa Romeo Stelvio, waarbij hij een CO2-uitstoot van 182 gram/km had opgegeven. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd op basis van een hertaxatie door de dienst Domeinen Roerende Zaken, die een hogere waarde voor de auto vaststelde. De Rechtbank Den Haag heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, maar wel een schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep stelt belanghebbende dat hij recht heeft op toepassing van de NEDC1-uitstoot voor referentievoertuigen, die lager is dan de door hem opgegeven uitstoot. Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de referentievoertuigen op essentiële punten identiek zijn aan zijn auto, en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof concludeert dat de heffing van bpm niet in strijd is met artikel 110 VWEU, en dat de bewijslast voor de CO2-uitstoot bij belanghebbende ligt. De uitspraak van het Hof is openbaar uitgesproken op 18 november 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/7

Uitspraak van 18 november 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 december 2024, nummer SGR 23/5595.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.064 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75; en
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 19 augustus 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Alfa Romeo Stelvio 2.0 T AWD Super (de auto). De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 5.027 en is door belanghebbende voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 28 december 2018. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 182 gram/km. De “milieuklasse EG-goedkeuring” van de auto luidt 715/2007*2017/1347AG en de EG-typegoedkeuring van de auto is e3*2007/46*0435*08.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam] (het taxatierapport). De auto is op 23 juli 2021 door [naam] getaxeerd. In het taxatierapport van 17 augustus 2021 is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 77.890 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van referentievoertuigen op € 26.250. Hierop heeft de taxateur vervolgens in het rapport een bedrag van € 8.250 (op basis van een schadecalculatie van € 10.613,55 aan reparatiekosten) wegens schade in mindering gebracht. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat uiteindelijk bepaald op € 18.000.
2.3.
Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie. De hertaxatie heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2021. De bevindingen van DRZ zijn neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling DRZ) van 31 augustus 2021. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 82.855, de netto catalogusprijs op € 50.499 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 39.053 (aan de hand van een drietal referentieadvertenties in combinatie met koerslijst AutotelexPro). DRZ heeft rekening gehouden met een aftrek wegens schade van € 3.142 (72% van een gecalculeerde schade van € 4.364). De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is door DRZ vastgesteld op € 35.911. Het rapport onderzoek waardebepaling DRZ vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 182 gram/km.
2.4.
Op 10 november 2021 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. Met dagtekening 31 december 2021 heeft de Inspecteur vervolgens op basis van het onder 2.3 bedoelde onderzoek waardebepaling van DRZ een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 4.064.
2.5.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
2.6.
Belanghebbende heeft in de beroepsfase respectievelijk de hogerberoepsfase (uiteindelijk) onder meer verstrekt:
  • een afschrift van een informatieverzoek aan en de reactie daarop van het automerk BMW over typegoedkeuringsnummers van voertuigen die door BMW zijn gefabriceerd;
  • een afschrift van een informatieverzoek gericht aan en de reactie daarop van SNCA Administration (de Luxemburgse RDW) over typegoedkeuringsnummers van voertuigen die door Volkswagen zijn gefabriceerd;
  • een overzicht waarin belanghebbende de auto en vijf andere Alfa Romeo Stelvio Stationwagens (referentievoertuigen) op basis van een aantal kenmerken vergelijkt (overzicht referentievoertuigen);
  • een afschrift van bijlage II, deel I, behorend bij Verordening (EU) 2018/858, Publicatieblad van de Europese Unie, L 2018/151, betrekking hebbende op “Regelgevingshandelingen voor de EU-typegoedkeuring van in onbeperkte series geproduceerde voertuigen”;
  • een afschrift van een door het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende uitgevoerd “Onderzoek typegoedkeuringen & emissiecodes; 10 meest verkochte auto’s in Nederland” met betrekking tot voertuigen die een datum eerste toelating hebben tussen 1 september 2018 en 1 september 2019;
  • een overzicht van typegoedkeuringen van voertuigen van het type Volkswagen Polo, met daarbij vermeld de CO2-uitstoot en de datum van eerste toelating.
2.7.
Het onder 2.6 bedoelde overzicht referentievoertuigen vermeldt voor de referentievoertuigen een CO2-uitstoot van 161 gram/km, als “milieuklasse EG-goedkeuring” (emissiecode) 715/2007*2016/646W en als EG-typegoedkeuring e3*2007/46*0435*01.
2.8.
De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep een overzicht verstrekt van de punten uit Bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG, Publicatieblad van de Europese Unie, L 2007/263 (Richtlijn 2007/46/EG), met daarin verwerkt de kenmerken van de auto en één van de door de belanghebbende in zijn overzicht (zie 2.6) opgenomen referentievoertuigen (kenteken [kenteken] ) op die punten. De Inspecteur heeft daarbij opgemerkt dat de gegevens zoals vermeld voor het referentievoertuig [kenteken] ook gelden voor de overige door belanghebbende aangeleverde referentievoertuigen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“(…)
WLTP/NEDC2-methode
11. Eiser stelt voorts dat de WLTP/NEDC2-methode leidt tot een hogere geregistreerde CO2-uitstoot dan de NEDC1-methode, hetgeen leidt tot een hogere heffing van bpm. Dit is volgens eiser in strijd met artikel 110 van het VWEU.
12. Eiser heeft in dat kader gewezen op onderzoek door JATO, Bovag, KPMG en zijn eigen kantoor (de onderzoeken) waaruit volgens hem volgt dat de uitstoot volgens de WLTP/NEDC2-methode hoger ligt dan de CO2-uitstoot van vergelijkbare voertuigen die zijn getest volgens de NEDC1-methode. Met de enkele verwijzing naar de onderzoeken heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in onderhavig geval teveel bpm is voldaan. De conclusies van dergelijke algemene en brede onderzoeken kunnen niet rechtstreeks worden toegepast op de hier in geding zijnde auto. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in de aangifte is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot. De rechtbank ziet op basis van voornoemde onderzoeken dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangifte is vermeld.
13. Hoewel de transitieregeling op zichzelf niet een op grond van artikel 110 van het VWEU verboden onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse personenauto’s, kan onder omstandigheden toch sprake zijn van een schending van die bepaling. Het kan immers zo zijn dat de CO2-uitstoot van een buitenlandse personenauto en een gelijksoortige binnenlandse personenauto die is geregistreerd in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 vanwege de restantvoorraadregeling volgens verschillende methoden wordt respectievelijk is vastgesteld en dat daardoor voor de buitenlandse personenauto een hoger bedrag aan bpm wordt geheven dan is geheven voor de binnenlandse personenauto.[3]
14. De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 van het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd. Personenauto’s gelden als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn.[4]
15. Vaststaat dat de auto op 28 december 2018 voor het eerst is toegelaten op de weg.
Eiser heeft zijn standpunt dat sprake is van gelijksoortige binnenlandse voertuigen die op essentiële punten identiek zijn maar een lagere CO2-uitstoot hebben, die enkel wordt veroorzaakt door een andere meetmethode, onderbouwd met referentievoertuigen. Vaststaat dat deze referentievoertuigen een datum eerste toelating hebben die is gelegen tussen 1 september 2018 en 1 september 2019. Verweerder heeft echter gemotiveerd betwist dat sprake is van gelijksoortige voertuigen, omdat onder andere de typegoedkeuringen van elkaar verschillen. Het is dan aan eiser, die de bewijslast heeft, om aannemelijk te maken dat desalniettemin sprake is van gelijksoortige voertuigen. Daarin is eiser niet geslaagd.
16. Vaststaat dat de typegoedkeuringen van de referentieauto’s verschillen van de typegoedkeuring van de auto. Tussen de beide typegoedkeuringen zitten zeven volgnummers. Eiser stelt wel dat dit kan komen door kleine wijzigingen die niets met de CO2-uitstoot te maken hebben, maar dat dient eiser dan met bewijs te onderbouwen.[5] Dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank is overigens van oordeel dat de voorbeelden van “kleine wijzigingen” die eiser ter zitting heeft genoemd, zoals de mate waarin wielen uitsteken en de grootte van de buitenspiegels, zijn stelling juist niet onderbouwen, omdat niet is uitgesloten dat zulke wijzigingen in meer dan verwaarloosbare mate de luchtweerstand van een auto en daarmee ook de CO2-uitstoot ervan beïnvloeden.
17. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijksoortige auto’s faalt zijn beroep op artikel 110 van het VWEU. De rechtbank merkt hierbij nog op dat zij in hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen aanleiding heeft gezien tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Vertrouwensbeginsel
18. Eiser stelt voorts dat hij recht heeft op een teruggaaf van bpm op grond van het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de Staatssecretaris van Financiën heeft gesteld dat de nieuwe meetmethode niet mag leiden tot een hogere belastingdruk.[6] De uitlatingen van de Staatssecretaris waarop eiser zich beroept, heeft de Staatssecretaris echter gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever. Eiser kan aan die uitlatingen dan ook geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.[7]
Slotsom
19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
20. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 1 februari 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 17 december 2024 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, elf maanden. Eiser heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Hierbij zij nog opgemerkt dat in deze zaak het overgangsrecht zoals geformuleerd in het arrest van 14 juni 2024[8] van toepassing is.
Proceskosten
21. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[9] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en wegingsfactor van 0,25).
22. Eiser heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[10] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest ook al overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te laten vergoeden.
(…)
[3] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.
[4] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.
[5] Vgl. Gerechtshof Den Haag 26 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1646, r.o. 5.1.9.
[6] Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1401, p. 2; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 46, p. 1; Kamerstukken II 2016/17, 34 553, nr. 5, p. 5; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 48, p. 42; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 56, p. 45.
[7] Vgl. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9000, r.o. 3.3.
[8] HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
[9] HR 10 november 2023,ECLI:NL:HR:2023:1526.
[10] HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende aanspraak kan maken op toepassing van de zogenoemde NEDC1-uitstoot die geldt voor de door hem aangeleverde referentievoertuigen (161 gram/km). Voorts is in geschil of sprake is van strijd met het Europese doeltreffendheidsbeginsel.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht, tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 142. Verder verzoekt belanghebbende het Hof een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hem, gelet op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 april 2024 (zie 5.5 hierna), een beroep toekomt op de NEDC1-uitstoot van 161 gram/km, die voor de door hem aangedragen referentievoertuigen (zie 2.6) geldt, en de daarbij horende bruto bpm. Belanghebbende heeft het Hof ter zitting verzocht de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden van de Hoge Raad op de door Hof Amsterdam gestelde prejudiciële vragen tot nadere duiding van de antwoorden in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 april 2024 (Hof Amsterdam 15 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1252). Voor het geval het Hof de zaak niet aanhoudt, bepleit belanghebbende dat het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2024 (zie 5.5 hierna) zo moet worden uitgelegd dat als een auto op openbaar verifieerbare essentiële punten gelijk is aan een referentieauto, het beroep op artikel 110 VWEU moet slagen. Belanghebbende heeft een overzicht met technische gegevens van de auto en van referentieauto’s overgelegd. Uit dit overzicht volgt volgens belanghebbende dat de auto en de referentieauto’s gelijksoortig zijn ten aanzien van de essentiële punten genoemd in bijlage II, deel B, behorend bij de Richtlijn 2007/46/EG. Het feit dat de auto en de referentieauto’s een ander volgnummer (auto *08 en referentieauto’s *01) van de EG-typegoedkeuring hebben, doet niet af aan de gelijksoortigheid, aldus belanghebbende. Belanghebbende vult in dit opzicht aan dat een verschil in/wijziging van de EG-typegoedkeuring allerlei oorzaken kan hebben, die niet alle leiden tot een verschil in de uitstoot van de auto. Belanghebbende concludeert dat hierdoor technisch identieke auto’s op papier een verschillende uitstoot hebben en dus een verschillende bpm-druk. Dit is, aldus belanghebbende, in strijd met artikel 110 VWEU. Belanghebbende stelt verder dat het bij belanghebbende neerleggen van de bewijslast, dat een herziening van de EG-typegoedkeuring (ETG) niets van doen heeft met (ingrijpende) wijzigingen aan het voertuig die invloed hebben op de CO2-uitstoot, onevenredig zwaar is en in strijd komt met het Europese doeltreffendheidsbeginsel. Belanghebbende onderbouwt dit met de stelling dat niet in openbare registers is na te gaan of te achterhalen wat de betekenis of achtergrond is van ieder opvolgende ETG en dat het daarom voor belanghebbende onmogelijk of uiterst moeilijk is om aan de bewijslast te kunnen voldoen, zodat dit bewijs niet van belanghebbende kan worden gevergd.
5.2.
De Inspecteur stelt zich, onder verwijzing naar dezelfde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 april 2024 (zie 5.5 hierna), op het standpunt dat alleen sprake is van gelijksoortigheid als de referentieauto’s technisch identiek zijn aan de auto op de essentiële punten genoemd in bijlage II, deel B, behorend bij de Richtlijn 2007/46/EG en als zij beschikken over dezelfde EG-typegoedkeuring. De auto heeft geen gelijke, en zelfs een niet (direct) opvolgende, EG-typegoedkeuring ten opzichte van de referentieauto’s. Voorts verschilt de auto, aldus de Inspecteur, van de referentieauto’s op het punt van de uitvoeringscode, het geluidsniveau bij langsrijden en het uitlaatemissieniveau. Belanghebbende heeft evenmin gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de referentieauto’s in een andere lidstaat voor het eerst zijn toegelaten tot de openbare weg. Belanghebbende is volgens de Inspecteur daarmee niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast.
Ten aanzien van belanghebbendes beroep op het Europese doeltreffendheidsbeginsel stelt de Inspecteur dat de daartoe aangevoerde stelling van belanghebbende, dat niet in openbare registers is na te gaan of te achterhalen wat de betekenis of achtergrond is van iedere opvolgende ETG, niet juist is. De RDW heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat de wijzigingen worden neergelegd in een goedkeuringsdocument van de fabrikant of keuringsinstantie dat centraal wordt vastgelegd in een Europese database. Deze informatie kan via de fabrikant worden opgevraagd, aldus de Inspecteur.
CO2-uitstoot
5.3.
De bewijslast dat de CO2-uitstoot te hoog is vastgesteld rust op belanghebbende. Bij de toepassing van artikel 110 VWEU komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van de auto niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog vervat te zijn in de waarde van gelijksoortige gebruikte auto’s die in Nederland op het tijdstip van de registratie al in de handel zijn.
5.4.
De heffing van bpm is erop gebaseerd dat naarmate een personenauto per kilometer meer CO2 uitstoot, meer bpm verschuldigd wordt. De CO2-uitstoot per kilometer is dus bepalend voor de hoogte van de verschuldigde bpm. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto, nieuw of gebruikt, moet worden bepaald in welke mate deze CO2 per kilometer uitstoot. Met ingang van 1 september 2017 wordt de CO2-uitstoot van op de Europese markt gebrachte auto’s bepaald volgens de WLTP-methode. Tot die datum werd de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode. Er is sprake van een overgangsfase. Tot 1 juli 2020 vond na meting op basis van de WLTP-methode omrekening plaats naar de NEDC-waarde. Dit hield kort gezegd verband met het feit dat fabrikanten enige tijd in de gelegenheid moesten worden gesteld nieuwe typegoedkeuringen aan te vragen en desgewenst hun auto’s aan te passen. Ten onderscheid wordt de waarde die voortvloeit uit de toepassing van de NEDC-methode wel NEDC1 genoemd en de waarde die voortvloeit uit de omrekening van de WLTP-waarde naar de NEDC-waarde NEDC2. Op grond van de restantvoorraadregeling mochten bestaande voorraadmodellen die gefabriceerd waren vóór 1 juni 2018 en die al waren voorzien van een CO2-uitstoot op basis van de NEDC-methode, tot 1 september 2019 geregistreerd worden op basis van die reeds vastgestelde CO2-uitstoot.
5.5.
In zijn prejudiciële beslissing van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, BNB 2024/93, heeft de Hoge Raad onder meer als volgt geantwoord op prejudiciële vragen van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant:
“5.6.6. De situatie in de onderhavige zaak, waarop de prejudiciële vragen zien, verschilt van de situatie waarop het arrest van 3 april 2020 betrekking heeft. Als gevolg van Unierechtelijke en nationale overgangsmaatregelen is namelijk voor de heffing van bpm niet uitgesloten dat het op grond van artikel 9, lid 13, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 6a, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling voorgeschreven bewijsmiddel van de omvang van de CO2-uitstoot voor personenauto’s van eenzelfde voertuigtype als hiervoor in 5.1.1 omschreven (hierna ook: model) een verschillende vastgestelde CO2-uitstoot weergeeft en dat vaststaat dat dit verschil uitsluitend is terug te voeren op het gebruik van een verschillende meetmethode (de NEDC-meetmethode dan wel de WLTP-meetmethode).
(…)
5.9.2.
Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd en die aansluit bij een CO2-uitstoot als vermeld in een bij de personenauto behorend certificaat van overeenstemming, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.
(…)
Prejudiciële vraag 3
Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.”
5.6.
Het Hof ziet geen aanleiding tot aanhouding van de zaak in afwachting van de antwoorden van de Hoge Raad op de door Hof Amsterdam gestelde prejudiciële vragen tot nadere duiding van de antwoorden in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 april 2024 (zie 5.1 en 5.5).
5.7.
Het Hof leidt uit voormelde prejudiciële beslissing af dat personenauto’s als gelijksoortig moeten worden beschouwd indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EG-typegoedkeuring vallen.
5.8.
De Inspecteur heeft in het verweerschrift in hoger beroep een overzicht aangeleverd waarin de auto en de referentievoertuigen op de essentiële punten als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad (bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG ) zijn vergeleken. Gelijk de Inspecteur terecht en gemotiveerd heeft gesteld kunnen de auto en de door belanghebbende aangedragen referentieauto’s niet als gelijksoortig worden beschouwd, alleen al omdat zij niet op alle in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd het tegendeel hiervan niet aannemelijk gemaakt. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, zijn de door de Inspecteur aangehaalde kenmerken (en dus de daarbij voorkomende verschillen) wel degelijk relevant. Daarmee is geen sprake van voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn. Aan de stellingname van belanghebbende ten aanzien van de EG-typegoedkeuring en afwijkende volgnummers komt het Hof om die reden niet toe.
5.9.
Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het enige verschil tussen de referentieauto’s en de auto van belanghebbende de CO₂-uitstoot is en dat dit het uitsluitende gevolg is van een verschil in meetmethode.
Europees doeltreffendheidsbeginsel
5.10.
Gelet op het voorgaande komt het Hof niet toe aan de stellingname van belanghebbende dat sprake is van strijd met het Europese doeltreffendheidsbeginsel, inhoudende dat de lidstaten hun nationale procedures en rechtsmiddelen zodanig moeten inrichten dat het uitoefenen van het EU-recht in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Immers de auto en de referentievoertuigen zijn al niet op de essentiële punten als identiek te beschouwen. De vraag of het bij belanghebbende neerleggen van de bewijslast, dat een herziening van de EG-typegoedkeuring niets van doen heeft met (ingrijpende) wijzigingen aan het voertuig die invloed hebben op de CO2-uitstoot, onevenredig zwaar is en daarom in strijd komt met het Europese doeltreffendheidsbeginsel, is voor deze procedure dan ook niet van belang. Daarbij merkt het Hof ten overvloede nog op dat de Inspecteur aannemelijk, en overigens onweersproken, heeft verklaard dat geen sprake is van bewijsnood voor belanghebbende, nu de betekenis of achtergrond van iedere opvolgende EG-typegoedkeuring centraal wordt vastgelegd in een Europese database, waaruit de informatie via de fabrikant van het desbetreffende voertuig kan worden opgevraagd.
Slotsom
5.11.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, A. van Dongen en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen L.D.M.A Reijs
De beslissing is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.