5.1.De gemachtigde van belanghebbende heeft in het hogerberoepschrift en de door hem ingediende nadere stukken, waaronder de zogenoemde “pinpoint” brief, volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en gronden, waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaken. Daarom heeft het Hof de gemachtigde ter zitting gevraagd welke hogerberoepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert. Daarop heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de negen punten genoemd in het nadere stuk van 7 juli 2025 (door belanghebbende aangeduid als “verbijzonderingsbrief”) en het nadere stuk van 8 juli 2025 met daarin drie punten. Ter zitting heeft belanghebbende de in die nadere stukken opgenomen hogerberoepsgronden met betrekking tot de gehanteerde kapitalisatiefactor, de grondprijs, de objectafbakening, de grondstaffels en winkelpanden ingetrokken en de overige hogerberoepsgronden gehandhaafd. Beide stukken zijn overigens ingediend binnen de tiendagentermijn voor de zitting. De Heffingsambtenaar heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
5.2.1.Belanghebbende betoogt dat de Heffingsambtenaar ten onrechte de volgende op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft overgelegd: iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten, informatie uit het Kadaster (waaronder aktes van levering en koopovereenkomsten), een berekening van historische correcties (waarmee kennelijk wordt gedoeld op indexeringspercentages) en het ‘verantwoordingsdocument’ van de [gemeente] .
5.2.2.iWOZ is een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten samengestelde verzameling van objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. Anders dan belanghebbende betoogt, behoren de iWOZ-gegevens van de door de Heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Heffingsambtenaar is daarom in beginsel niet verplicht deze gegevens over te leggen. Dit kan anders zijn in het geval de Heffingsambtenaar bij het bepalen van de waarde heeft gebruikgemaakt van de iWOZ-kaarten om daaruit de kenmerken van de (vergelijkings)objecten af te leiden die van belang zijn voor de beslechting van geschilpunten. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat hij de iWOZ-kaarten heeft gebruikt. Daarmee zijn de iWOZ-kaarten op de zaak betrekking hebbende stukken. Door die stukken niet te overleggen heeft de Heffingsambtenaar artikel 8:42 Awb geschonden. Het Hof verbindt echter hieraan, gelet op artikel 8:31 Awb, geen gevolgen, omdat belanghebbende door het niet overleggen van de iWOZ-kaarten niet in haar belangen is geschaad. Belanghebbende heeft namelijk de gehanteerde objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten, waarover de iWOZ-kaarten informatie zouden kunnen bevatten, niet betwist.
5.2.3.Voorts is niet gebleken dat de Heffingsambtenaar in het kader van de waardering van de woningen stukken uit het Kadaster heeft geraadpleegd. Op hem rust dan geen plicht om dergelijke stukken als op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen.
5.2.4.Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar het zogenaamde ‘verantwoordingsdocument’ van de [gemeente] voor het jaar 2022 had moeten overleggen. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar toegelicht dat er voor 2022 geen verantwoordingsdocument bestaat en dat een verwijzing daarnaar in de stukken berust op een verschrijving. Nu het document niet bestaat, is er ook geen sprake van schending van artikel 8:42 Awb.
5.3.1.De waarde van een woning wordt volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevinden, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 43-44).
5.3.2.De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woningen niet te hoog heeft vastgesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, BNB 2024/92 geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag of aan de bewijslast is voldaan de normale regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast gelden. Die regels brengen mee dat de rechter ten aanzien van de door een partij aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen in hoeverre die zijn bestreden en, zo ja, in hoeverre die door deze partij aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd (HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, BNB 2023/63). Indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt mag de rechter de waarde op een door hem gekozen grondslag vaststellen. Indien de belanghebbende beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het derhalve aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776, BNB 2015/214). 5.4.1.De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarden matrices overgelegd. Uit de matrices volgt dat de waarde van de woningen is bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Daarbij is verwezen naar de opbrengsten behaald bij verkoop van de vergelijkingsobjecten. Niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woningen. Voldoende is dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. Uit de matrices leidt het Hof het volgende af.
5.4.2.De woningen en de vergelijkingsobjecten zijn alle van het type “appartement”, waarbij de woning [adres 4] is aangeduid als “maisonnette”. De gebruiksoppervlakten van de vergelijkingsobjecten wijken af van die van de woningen; ze zijn kleiner.
5.4.3.Voor zover de gebruiksoppervlakten van de vergelijkingsobjecten verschillen van de woningen heeft de Heffingsambtenaar daarvoor (boven een herrekening naar evenredigheid van de oppervlakten) een correctie gemaakt van € 10 per vierkante meter. Voorts heeft de Heffingsambtenaar aan de woningen en de vergelijkingsobjecten VLOK-factoren toegekend. Daarbij is hij bij de woningen uitgegaan van factor 3 (gemiddeld) voor alle factoren. Bij het vergelijkingsobject [adres 5] is hij voor voorzieningen uitgegaan van factor 2 (onder gemiddeld). Voor alle overige factoren is een 3 toegekend.
5.4.4.De Heffingsambtenaar heeft deelobjecten van de woning en de vergelijkingsobjecten apart gewaardeerd. Daarbij heeft hij de onderpandige garages van de woningen en het vergelijkingsobject [adres 5] gewaardeerd op € 15.000. Balkons en dakterrassen zijn gewaardeerd op € 300 per vierkante meter. Vaste eenheidsprijzen zijn gehanteerd voor berging/schuur (€ 4.000) en dakkapellen ( [adres 4] , € 2.000 en € 3.000).
5.5.1.Naar het oordeel van het Hof zijn de vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar met de woningen. Net als de woningen zijn de vergelijkingsobjecten appartementen. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar toegelicht dat [adres 4] een ‘maisonnette’ is, hetgeen betekent dat sprake is van een andere indeling in de zin dat er twee woonlagen zijn, maar dat dit type woning te vergelijken is met een appartement. Het Hof heeft geen aanleiding aan deze uitleg te twijfelen. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de gebruiksoppervlakte van [adres 4] nagenoeg gelijk is aan die van de andere woningen.
5.5.2.Met de onderlinge verschillen tussen de woningen en de vergelijkingsobjecten heeft de Heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden. Waar nodig heeft hij een afwijkende VLOK-factor toegekend. De toegekende VLOK-factoren zijn door belanghebbende niet betwist en het Hof ziet ook geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Voorts heeft de Heffingsambtenaar de deelobjecten apart gewaardeerd en rekening gehouden met de verschillen in gebruiksoppervlakte. De aldus toegepaste vergelijking leidt tot prijzen per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de woningen (€ 3.425 ( [adres 1] en [adres 3] ), € 3.415 ( [adres 2] ) en € 3.405 ( [adres 4] )) die onder de gemiddelde prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de vergelijkingsobjecten liggen (€ 3.643).
5.5.3.Gelet op hetgeen is overwogen in 5.5.1 en 5.5.2 is de Heffingsambtenaar geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de waarde van de woningen niet te hoog is vastgesteld.
5.6.1.Hetgeen belanghebbende hiertegen inbrengt leidt niet tot een ander oordeel.
5.6.2.Belanghebbende stelt dat de vergelijkingsobjecten niet kunnen dienen ter onderbouwing van de waarde van de woningen. Zij stelt dat woningen zonder balkon niet vergeleken kunnen worden met woningen met een balkon, zoals de vergelijkingsobjecten. De woningen [adres 1] en [adres 4] beschikken over een balkon, zodat belanghebbendes stelling in zoverre feitelijke grondslag mist. Voor het overige volgt het Hof niet de algemene stelling dat de woningen zonder balkon ( [adres 2] en [adres 3] ) niet vergelijkbaar zijn met de vergelijkingsobjecten, omdat die wel een balkon hebben. Of de vergelijkingsobjecten kunnen dienen ter onderbouwing van de waarde van de woningen hangt af van hoe met deze onderlinge verschillen rekening is gehouden. De Heffingsambtenaar heeft aan de balkons een waarde van € 300 per vierkante meter toegekend. Belanghebbende stelt dat dit te laag is, maar zij onderbouwt dit op geen enkele wijze. Het Hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de door de Heffingsambtenaar gehanteerde waarde te laag is.
5.6.3.Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is hoe de Heffingsambtenaar de koopprijzen van de vergelijkingsobjecten heeft geïndexeerd en heeft gevraagd waarop die indexering is gebaseerd. Uit de matrices kan eenvoudig herleid worden welk indexeringspercentage is gehanteerd. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar toegelicht dat de toegepaste indexering op marktgegevens is gebaseerd, maar dat de onderbouwing daarvan niet is overgelegd. Het Hof ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de Heffingsambtenaar te twijfelen. Belanghebbende heeft ook verder niet onderbouwd waarom de gehanteerde indexering niet juist zou zijn. Het Hof gaat voorbij aan belanghebbendes stelling dat voor de indexering dient te worden uitgegaan van de datum van de koopovereenkomst en niet van de datum van het transport. In een stijgende markt, waarvan in 2021 naar algemeen bekend sprake was, zou uitgaan van de datum van de koopovereenkomst, die gelegen is vóór de datum van het transport, leiden tot een hogere geïndexeerde koopsom, hetgeen in het nadeel van belanghebbende zou zijn.
5.6.4.Belanghebbende wijst op een uitspraak van de Rechtbank van 20 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9173, waarin onder meer de waarde van de woningen voor het belastingjaar 2023 (waardepeildatum 1 januari 2022) in geding is. De WOZ-waarde wordt elk jaar afzonderlijk bepaald. Een uitspraak van de Rechtbank omtrent de WOZ-waarde van de woningen voor het belastingjaar 2023 is derhalve niet van belang voor de beslechting van het onderhavige geschil. Aanslagen watersysteemheffing