ECLI:NL:GHDHA:2025:1837
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak inzake WOZ-waarde en proceskostenvergoeding
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning centraal, waarbij belanghebbende bezwaar maakte tegen de waarde en de daaraan verbonden aanslag onroerende-zaakbelastingen. De rechtbank oordeelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en dat de schending van de toezendverplichting op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ, kon worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro, omdat belanghebbende niet benadeeld was.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het gebrek aan toezending van de taxatiekaart en bijbehorende gegevens had gepasseerd en dat de proceskostenvergoeding te laag was vastgesteld. Het hof overwoog dat artikel 6:22 Awb Pro uitdrukkelijk toestaat dat een besluit in stand kan blijven bij schending van een vormvoorschrift indien geen benadeling is vastgesteld. De rechtbank had dit correct toegepast en het beroep van belanghebbende faalt.
Ten aanzien van de proceskostenvergoeding stelde het hof vast dat de rechtbank de vergoeding had gematigd op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gezien het formeelrechtelijke karakter van het geschilpunt en de geringe werkbelasting. Het hof bevestigde dat de rechtbank niet verplicht was haar motivering verder uit te werken en dat de toegepaste regels juist waren. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.