Uitspraak
1. Algemeen
2.Aktiviteiten
6.Ondernemerschap
Winst uit onderneming: ondernemerschap
Bron van inkomen
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende voert een eenmanszaak sinds 2004 in de handel van metalen en metaalproducten. Vanaf 2018 heeft hij geen positieve resultaten of omzet meer behaald. Voor het jaar 2020 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV vastgesteld zonder het negatieve resultaat uit onderneming in aftrek te nemen, omdat geen objectieve voordeelsverwachting aanwezig was.
De Rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ondanks de jarenlange verliezen in 2020 nog positieve opbrengsten verwacht konden worden. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel faalde omdat de activiteiten in 2020 wezenlijk afwijken van die in 2004 en de Inspecteur geen bewuste standpuntbepaling voor 2020 heeft genomen.
In hoger beroep bevestigt het Hof dit oordeel. Het Hof stelt dat het ontbreken van omzet en negatieve resultaten sinds 2018 en het ontbreken van onderbouwing voor positieve verwachtingen in 2020 maken dat de activiteiten geen bron van inkomen vormen. Het beroep op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur, slaagt niet. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2020 wordt bevestigd zonder aftrek van het negatieve resultaat uit onderneming.