ECLI:NL:GHDHA:2025:1697
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en geen schending informatieverplichting
Belanghebbende, eigenaar van een tussenherenhuis, stelde dat de WOZ-waarde van zijn woning te hoog was vastgesteld en dat de heffingsambtenaar onvoldoende gegevens had verstrekt ter onderbouwing van deze waarde. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op € 1.040.000 op basis van een taxatieverslag en een matrix met vergelijkingsobjecten.
De Rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en het Gerechtshof bevestigt deze uitspraak. Het Hof oordeelt dat de heffingsambtenaar niet heeft gefaald in zijn informatieverplichting volgens artikel 40, lid 2, Wet WOZ en artikel 8:42 Awb Pro, omdat de relevante gegevens beschikbaar waren gesteld en bepaalde door belanghebbende gevraagde gegevens niet werden gebruikt in de waardering.
De waardering is opnieuw beoordeeld en het Hof concludeert dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende bracht geen nieuwe feiten of omstandigheden aan die tot een andere waardering zouden moeten leiden. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning blijft € 1.040.000.