Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
uitspraak van 11 december 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Proceskosten
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, eigenares van een woning, stelde beroep in tegen de WOZ-waarde vastgesteld door de heffingsambtenaar van de gemeente Capelle aan den IJssel. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens een schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ, vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding, waarbij de proceskostenvergoeding werd gematigd tot de helft op grond van artikel 2, lid 2, Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
In hoger beroep betwist belanghebbende de matiging van de proceskostenvergoeding, terwijl de heffingsambtenaar incidenteel hoger beroep instelde tegen de toekenning van immateriële schadevergoeding. Het hof oordeelt dat het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding bevestigt het hof de matiging door de rechtbank, omdat de gegrondverklaring slechts betrekking had op een formeel punt van ondergeschikt belang en de WOZ-waarde niet werd verlaagd.
Het hof benadrukt dat het Richtsnoer gerechtshoven 2024 niet verplicht tot het volledig toekennen van proceskostenvergoeding en dat artikel 2, lid 2, Bpb de rechter de bevoegdheid geeft om de vergoeding te matigen bij gedeeltelijk gelijk krijgen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar wordt niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt de matiging van de proceskostenvergoeding en verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.