Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 7 november 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Onafhankelijkheid en deskundigheid hertaxateur DRZ
“2.3.3. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van bpm uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege – niet in deze koerslijst verwerkte – beschadigingen aan de te registreren personenauto, draagt bij betwisting dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. (…)”
- de naheffingsaanslag door de Inspecteur in strijd met het vertrouwensbeginsel is opgelegd;
- de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het taxatierapport niet kan dienen als onderbouwing;
- op het moment van aangifte sprake was van essentiële gebreken aan de auto;
- terecht geen rekening is gehouden met een vermindering wegens schade en met een correctie wegens het schadeverleden van de auto, oftewel of de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op de juiste hoogte is vastgesteld;
- belanghebbende een geslaagd beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel.
- tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank;
- tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
- primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente;
- subsidiair tot vaststelling van de handelswaarde op € 26.596 (conform het onderzoek waardebepaling DRZ minus schade aan de velg linksachter en de koplampen), de verschuldigde bpm op € 14.988 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 9.354;
- meer subsidiair tot vaststelling van de handelswaarde op een bedrag van € 32.207 (conform het onderzoek waardebepaling DRZ minus correctie wegens het schade-verleden van de auto), tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 18.151 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 12.517.
Beoordeling van het hoger beroep
.Nadat de auto op 28 augustus 2019 voor het eerst is getaxeerd, waarvan op 5 december 2019 een rapport is opgemaakt en waarbij de schade werd gecalculeerd op € 48.725, is de auto door de RDW afgekeurd en is aan de auto een zogenoemde WOK-status (wacht op keuren) toegekend. Nadien heeft belanghebbende de auto gedeeltelijk laten herstellen, teneinde de auto goed te kunnen laten keuren bij de RDW. Alvorens de auto opnieuw te laten keuren op 12 augustus 2020, heeft belanghebbende op 20 juli 2020 aangifte bpm gedaan. In het bij die aangifte gevoegde taxatierapport is de schade gecalculeerd op € 24.268 (86% van de gecalculeerde reparatiekosten ad € 28.097). Na de keuring bij de RDW op 12 augustus 2020 is de WOK-status per 13 augustus 2020 opgeheven. Daargelaten of het bij de aangifte ingediende taxatierapport kan dienen ter onderbouwing van de door belanghebbende vastgestelde waarde, is het Hof van oordeel dat belanghebbende met dit taxatierapport (zie 2.4) niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van enige waardevermindering in verband met schade dan wel een schadeverleden. Het enkele opsommen van gebreken onder opgave van de daaraan verbonden reparatiekosten in een taxatierapport is, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet voldoende om schade aannemelijk te maken. De foto’s in het bij de aangifte ingediende taxatierapport ondersteunen deze gebreken en kosten niet.