Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 25 juni 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
€ 4.500;
Feiten
€ 1.175.745. Belanghebbendes aandeel in de herinvesteringsreserve per 31 december 2014 is € 91.500.
€ 992.745 is afgenomen tot € 183.000. Het aandeel van belanghebbende in de afname van de herinvesteringsreserve bedroeg € 496.372 (50%).
€ 2.123
€ 26.569
€ 51.060
€ 65.657
Project
[e-mail adres]of zijn mobiele nummer [mobiel nummer].
€ 88.000,00exclusief 21% BTW.
Oordeel van de Rechtbank
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Beoordeling van het hoger beroep
€ 4.000). Dit betreft uitgaven die naar belanghebbende stelt zijn gedaan in verband met het [naam winkelformule] . In hoger beroep heeft belanghebbende een lijst overgelegd waarin deze kosten zijn gespecificeerd. Tevens is een groot aantal facturen overgelegd. Gelet op de op belanghebbende rustende bewijslast dient hij per kostenpost aannemelijk te maken dat sprake is van aanschaffings- of voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel waarop de herinvesteringsreserve kan worden afgeboekt. Dat het daarbij gaat om een groot aantal in omvang relatief geringe kostenposten maakt dit niet anders. Belanghebbende heeft de noodzakelijke onderbouwing per kostenpost niet gegeven. Het enkel overleggen van een lijst met kosten en een groot aantal facturen is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om aannemelijk te achten dat sprake is van aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen waarop de herinvesteringsreserve kan worden afgeboekt. De klacht van belanghebbende faalt.
€ 2.109 niet en voor een bedrag van € 32.387 wel in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling van de winst uit onderneming over 2014. Nu tevens is geoordeeld dat de herinvesteringsreserve niet kan worden afgeboekt op de kosten voor een bedrag van
€ 32.387, komen deze kosten als kosten in mindering op de winst uit onderneming van 2014. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende slaagt in zoverre.
€ 32.387. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond.
Proceskosten en griffierecht
Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens voor zover deze ziet op de vergoeding van immateriële schade en de vergoeding van het griffierecht;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 191.017 (€ 314.904 -/- 91.500 -/- 32.387);
- vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig; en
- gelast de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de procedure in hoger beroep van € 136 aan belanghebbende te vergoeden.