ECLI:NL:HR:1988:ZC3898
Hoge Raad
- Cassatie
- Royer
- Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Korthals Altes
- Rechtspraak.nl
Begrip bijzondere omstandigheden bij vertraging vervangingsreserve in inkomstenbelasting
Belanghebbende, firmant in een vennootschap die onroerend goed exploiteert, vormde in 1978 en 1979 vervangingsreserves naar aanleiding van de verkoop van bedrijfspanden. De Inspecteur corrigeerde het belastbaar inkomen over 1982 door een deel van deze reserve in de winst op te nemen, omdat de vervanging van het pand niet binnen de wettelijke termijn had plaatsgevonden.
Het geschil spitste zich toe op de uitleg van het begrip "bijzondere omstandigheden" in artikel 14, lid 2, Wet op de inkomstenbelasting 1964, dat bepaalt dat een vervangingsreserve uiterlijk in het vierde jaar na het ontstaan in de winst moet worden opgenomen, tenzij bijzondere omstandigheden de vervanging vertragen.
Het Hof oordeelde dat alleen omstandigheden die direct betrekking hebben op de vervanging zelf als bijzonder kunnen worden aangemerkt, en verwierp het beroep van belanghebbende dat ook bredere bedrijfsomstandigheden tot vertraging konden leiden. De Hoge Raad stelde dat deze uitleg te beperkt was en dat ook omstandigheden die de gehele bedrijfsvoering betreffen onder bijzondere omstandigheden kunnen vallen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met een bredere uitleg van bijzondere omstandigheden.