In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellante door verjaring eigenaar was geworden van stroken grond van de gemeente die aan twee zijden langs haar tuin liggen. De rechtbank had reeds geoordeeld dat appellante niet voldeed aan de vereisten voor verjaring, en het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
Appellante voerde aan dat zij sinds 1968 verschillende lage hekken had geplaatst die de stroken optisch bij haar tuin trokken. Echter, deze hekken waren laag (ongeveer 54 cm) en boden geen onomstotelijk bewijs van bezit, mede doordat er een open inrit en een lage poort met valslot aanwezig waren die door derden werden gebruikt. Het hof oordeelde dat dit geen zodanige machtsuitoefening was dat het bezit van de gemeente teniet werd gedaan.
Daarnaast werden argumenten van appellante over het bestemmingsplan, het ontbreken van een stoep en het recht van derden om het terrein te betreden, niet relevant geacht voor de vraag wie eigenaar is. Ook een betwisting van de kadastrale grens werd niet in behandeling genomen vanwege te late ingebracht bezwaar.
Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellante in de proceskosten van het hoger beroep, inclusief advocaatkosten en griffierecht. De veroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.