ECLI:NL:GHDHA:2023:1692
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waardebepaling onroerende zaken en afwijzing vergoeding immateriële schade
Belanghebbende, eigenaar van twee onroerende zaken, stelde dat de WOZ-waarden te hoog waren vastgesteld en vorderde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Heffingsambtenaar had de waarden bepaald op respectievelijk €523.000 en €1.338.000 voor het kalenderjaar 2020, gebaseerd op de huurwaardekapitalisatiemethode met een bruto kapitalisatiefactor van 10,7.
De Rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schade afgewezen. Belanghebbende ging hiertegen in hoger beroep. Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan met onder meer waarderapporten, waardeopbouwen en een onderbouwde berekening van de bruto kapitalisatiefactor. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden, zoals bodemdaling en coronacrisis, waren onvoldoende concreet en relevant om de waardes te verlagen.
Ten aanzien van de immateriële schade overwoog het Hof dat de redelijke termijn met circa drie maanden was overschreden, maar dat bijzondere omstandigheden zoals de coronapandemie deze overschrijding niet rechtvaardigden. Bovendien bleek uit de volmacht dat alle proceskostenvergoedingen en immateriële schadevergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde toekomen, waardoor spanning en frustratie bij belanghebbende niet aannemelijk waren.
Het Hof bevestigde daarom de uitspraak van de Rechtbank, verklaarde het hoger beroep ongegrond en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarden en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.