ECLI:NL:GHDHA:2022:73
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende betwistte de WOZ-waarde van zijn woning, die door de Heffingsambtenaar was vastgesteld op €665.000 en na bezwaar en beroep was verlaagd tot €600.000. De Rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de waarde verminderd, waarna belanghebbende hoger beroep instelde tegen deze uitspraak met het verzoek de waarde te verlagen tot €200.000 en een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.
Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde van €600.000 niet te hoog was vastgesteld, gebaseerd op een taxatieverslag en vergelijkingsmethode met marktgegevens van vergelijkbare woningen. De stelling van belanghebbende dat de markt kunstmatig hoog is en de WOZ-waarde daardoor niet de werkelijke economische waarde weerspiegelt, werd verworpen omdat de rechter de wet moet toepassen en niet de innerlijke waarde of billijkheid mag beoordelen.
Ten aanzien van de vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelde het Hof vast dat de bezwaarfase binnen de redelijke termijn van zes maanden was afgerond, maar dat de beroepsfase met circa drie maanden was overschreden. De cassatiefase werd buiten beschouwing gelaten. Het Hof kende daarom een immateriële schadevergoeding van €500 toe en verordonneerde vergoeding van het betaalde griffierecht van €134. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, waarbij de WOZ-waarde van €600.000 werd bevestigd.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt bevestigd op €600.000 en belanghebbende ontvangt een vergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.