Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 18 mei 2021
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Vooraf
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, medeondernemer in een maatschap, stelde dat de KIA voor 2017 hoger moest worden vastgesteld door investeringen binnen en buiten het samenwerkingsverband samen te tellen zonder evenredige toerekening. De Inspecteur had de KIA berekend op basis van een evenredige toerekening volgens de geldende wet- en regelgeving.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de KIA per belastingplichtige wordt berekend, waarbij investeringen van het samenwerkingsverband en buitenvennootschappelijke investeringen worden samengevoegd om het toepasselijke KIA-percentage te bepalen. Dit percentage wordt vervolgens toegepast op het eigen investeringsbedrag van de belastingplichtige.
Belanghebbendes beroep op het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019 werd verworpen omdat diens eigen investeringsbedrag niet binnen dezelfde bandbreedte viel als het totaal van de investeringen van het samenwerkingsverband en de buitenvennootschappelijke investeringen. Ook werd geen kostenvergoeding toegekend omdat er geen aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid was.
Daarnaast kon de grief over de aanslag Zorgverzekeringswet (Zvw) niet in deze procedure worden meegenomen omdat daarover een aparte uitspraak was gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de juiste berekening van de KIA en wijst het hoger beroep van belanghebbende af.