ECLI:NL:GHDHA:2020:2480
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en beroep tegen taxatie en vergelijkingsmethode
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning die in 2018 voor de WOZ-waarde is vastgesteld op €226.000. Tegen deze beschikking en de daarop gebaseerde aanslag is bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam, die eveneens het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.
De Heffingsambtenaar gebruikte een taxatierapport en een matrix met vergelijkingsobjecten uit dezelfde straat om de waarde te bepalen. Hierbij werd rekening gehouden met verschillen in bouwjaar, inhoud, oppervlakte, onderhoudstoestand en ligging. Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld, onder meer vanwege geluidsoverlast van een nabijgelegen school en het niet toezenden van grondstaffels en matrices in de bezwaarfase.
Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar de waarde aannemelijk heeft gemaakt en dat de vergelijkingsobjecten geschikt zijn. De bezwaren over de onderhoudstoestand en de keuze van vergelijkingsobjecten werden verworpen. Ook werd geoordeeld dat de toezendplicht van stukken niet verder gaat dan inzage voorafgaand aan het horen, en dat het ontbreken van een schriftelijk verslag van het horen niet tot schending leidt omdat de bezwaren in latere procedures zijn ingebracht.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €226.000 bevestigd.