Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 februari 2020
Stichting Platform Aandelenlease,
Aegon Bank N.V.,
Het verloop van het geding in hoger beroep
De feiten
“a. het optreden als gratis belangenbehartiger en hulpverlener van gedupeerde klanten die overeenkomsten met betrekking tot financiële producten waaronder maar niet uitsluitend, worden begrepen: aandelenlease producten, koopsommen, inkomensbeschermers, beleggingsverzekeringen en kredietproducten, hebben afgesloten met financiële instellingen en daarbij behorende informatieverstrekking en advisering en bemiddeling over die producten, en als gevolg daarvan schade hebben geleden, dan wel daardoor anderszins in hun belangen zijn aangetast of dreigen te worden aangetast;
Het geding in de eerste aanleg
80%-20%kenmerk). Dit dient volgens PAL te leiden tot aanpassing van de hiervoor genoemde hof formule. Aegon dient een groter deel van de schade te dragen. Dit is met name het geval indien sprake is van een verantwoord zware financiële last waarbij Aegon in het geheel geen schade vergoedt. Verder heeft Aegon rendement behaald op onderpand dat zij voor de deelnemers heeft gesteld (bedoeld is, verkregen, hof). Dit rendement moet ten goede komen aan de deelnemers. Daarnaast heeft Aegon onrechtmatig gehandeld door zaken te doen met tussenpersonen die SprintPlan hebben geadviseerd zonder over de vereiste vergunning te beschikken. Tot slot heeft Aegon volgens PAL beheerskosten ingehouden zonder dat daarvoor een contractuele grondslag bestond.
slotsom) genoemde redenen niet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen.
Beoordeling van het hoger beroep:
- aan de vordering onder VI is toegevoegd de vordering om primair, voor recht te verklaren dat “
- aan de vordering onder VIII aan het slot is toegevoegd:
- in de vordering onder IX ook de proceskosten in hoger beroep worden gevorderd.
“Aegon te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen PAL aan Aegon heeft betaald uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg, te vermeerderen met wettelijke rente van de dag van betaling tot aan de dag der algehele betaling, dan wel een door uw hof in goede justitie te bepalen datum”.
assurance-rapport van de onafhankelijk accountant” van 4 april 2018, ondertekend door drs. G.A. van der Waal RA, waarin een oordeel is gegeven over de
“Opgaaf aanmeldingen SprintPlan-zaken inzake collectieve procedure van Stichting Platform Aandelenlease”.Deze opgaaf luidt als volgt:
Collectieve belangen onder PAL (ook overigens) onvoldoende gewaarborgd.
no cure no paybasis opereert en bij recht op betaling de deelnemers 20% van het van Aegon te ontvangen bedrag aan ConsumentenClaim moeten afdragen, volgt het hof Aegon niet in dit betoog. Niet is gebleken dat deze vergoeding (buitensporig) hoog is. Het rekenvoorbeeld van Aegon in randnummer 3.42 van de memorie van antwoord houdt bijvoorbeeld geen rekening met de goede en kwade kansen in de procedure en bovendien zijn in deze procedure uitsluitend verklaringen voor recht gevorderd. Het hof tekent tot slot aan dat PAL bij pleidooi heeft toegelicht dat zij tegenwoordig op haar website een verantwoordingsdocument heeft staan waarin zij toelicht hoe zij de Claimcode nakomt en waarom zij op bepaalde punten van de Claimcode afwijkt. De tekst van dit verantwoordingsdocument is als productie 30 overgelegd. Het hof overweegt dat dit aansluit bij het door Aegon in randnummer 3.30 van de memorie van antwoord genoemde principe:
“pas toe of leg uit”.Het hof overweegt tot slot dat de stelling dat er geen transparantie is over de afspraken tussen PAL en ConsumentenClaim over de in randnummer 3.45 van de memorie van antwoord genoemde onderwerpen niet betekent dat de belangen van de deelnemers onvoldoende zijn gewaarborgd. Dat dit anders ligt vindt geen steun in de stukken.
schade,maar of hij bekend was met het
gebrek in de prestatie.Dat men vanaf de expiratiedatum in staat was een rechtsvordering in te stellen en bekend was met de vermeende schade blijkt ook uit het feit dat in 2003 al procedures door GeSp en VCG zijn gestart en er rond het expiratiemoment ook tientallen individuele procedures zijn gestart.
80%-20% kenmerk). Er is volgens PAL met de belegging van 80% in obligaties een onnodige garantie ingebouwd, die duurder is dan het totale verlies dat kon worden geleden als geen garantie was ingebouwd en er voor was gekozen uitsluitend 20% te lenen voor de belegging in opties. Als de deelnemers enkel in opties hadden belegd en zelf geld opzij zouden hebben gezet om een eventuele restschuld te voldoen, waren zij voordeliger uit geweest. Aegon heeft het SprintPlan zo geconstrueerd dat aan de deelnemers zo lang mogelijk een hoge, overbodige lening werd verstrekt enkel en alleen om ten voordele van Aegon (rente)inkomsten te genereren. Aegon heeft de afnemers ten onrechte (in de contractdocumentatie en het prospectus voor het Garantiefonds) geen informatie verstrekt over de wijze waarop het SprintPlan is gestructureerd. Volgens PAL had Aegon de deelnemers volledig en duidelijk moeten voorlichten over de structurering (feitelijk de kenmerken) van het product en tevens over de daaraan verbonden risico’s. Deze verplichting vloeit onder meer voort uit artikel 33 lid 1 sub c NR Pro 1999, artikel 27 lid 2 NR Pro 1995 (naar het hof aanneemt wordt hier bedoeld artikel 27 lid 1 sub Pro b, dat min of meer gelijkluidend is aan artikel 33 lid 1 sub c NR Pro 1999) en de in de comparitieaantekeningen (randnummer 30) genoemde bijzondere zorgplicht. Aegon heeft aan deze verplichtingen niet voldaan. Aegon had de deelnemers tevens op de hoogte moeten stellen van de hiervoor onder 4 genoemde belangentegenstelling. Ook dit heeft zij niet gedaan. Hiermee heeft zij in strijd gehandeld met artikel 2 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden, artikel 25 NR Pro 1999, artikel 33 lid 1 sub e NR Pro 1999 en/of de artikelen 22 en 27 lid 1 sub d NR 1995. Dit dient volgens PAL te leiden tot aanpassing van de hof formule. Gezien de ernst van de door Aegon gemaakte fouten dient zij een groter deel van de schade te dragen, met name in het geval er sprake is van een verantwoord zware financiële last waarbij Aegon in het geheel geen schade vergoedt.
“Aegon Bank N.V. Onderzoek SprintPlan”. Dit rapport is opgesteld door [naam], RA, partner PWC. (hierna: het PWC rapport), (CvA, productie 10). Verder is overgelegd een rapport van 25 juli 2013, getiteld
“Rapport SprintPlan Aegon Bank N.V.”.Dit rapport is eveneens opgesteld door [naam], ditmaal in zijn hoedanigheid van partner bij Olivier Wyman en Charco & Dique (hierna: het OW&CD rapport), (CvA, productie 9).
80-20% kenmerkniet de conclusie kan dragen dat Aegon onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten jegens de deelnemers door onnodig hoge leningen te verstrekken en/of de deelnemers niet te informeren over de onnodig hoge leningen. PAL heeft niet in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 33 lid 1 sub Pro c NR1999 of artikel 27 lid 1 sub b NR Pro 1995. Hierop stuit de vordering III af. Datzelfde geldt voor de vordering II. Gelet op het voorafgaande verwerpt het hof de stelling van PAL dat Aegon de deelnemers onvoldoende heeft voorgelicht over de wijze waarop de verstrekte lening werd belegd en tegen welke condities (
80-20% kenmerk). Er is in ieder geval onvoldoende aanleiding om te concluderen dat (zoals PAL stelt) Aegon een groter deel van de schade dient te dragen, met name in het geval dat er sprake is van een verantwoord zware last. In zoverre mist PAL belang bij vordering II.
het accepteren van door deze instelling aangebrachte cliënten of cliëntenorders”.Dit verbod is volgens Aegon pas bij de invoering van NR 1999 op 7 januari 1999 als onderdeel d toegevoegd aan artikel 41 NR Pro 1999. Het hof overweegt dat in de toelichting op artikel 41 NR Pro 1999 is vermeld dat aan de opsomming van verboden zakelijke en financiële relaties uitdrukkelijk is toegevoegd het accepteren van cliënten van de desbetreffende natuurlijke en- rechtspersonen en het accepteren van orders van cliënten van deze personen. De toelichting luidt verder als volgt:
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt PAL in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Aegon tot op heden begroot op € 716,-- aan verschotten en € 3.222,-- aan salaris advocaat en op € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,-- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;
- verklaart dit arrest ten aanzien van proceskosten in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige.