ECLI:NL:HR:2020:207

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2020
Publicatiedatum
6 februari 2020
Zaaknummer
19/00262
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling erfdienstbaarheid van weg en verbredingsplicht eigenaren dienend erf

In deze zaak stond centraal of eigenaren van het dienend erf gehouden zijn tot de verbreding van een erfdienstbaarheid van weg. Eiseres stelde dat de notariële akte van levering zodanig moet worden uitgelegd dat zij niet gehouden zijn tot verbreding, terwijl verweerders dit betwistten.

De procedure begon bij de rechtbank Den Haag met vonnissen in 2016, waarna het gerechtshof Den Haag in 2017 en 2018 arresten wees die de uitleg van de erfdienstbaarheid betroffen. Eiseres stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof van 16 oktober 2018.

De Hoge Raad heeft de klachten van eiseres beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. Het hofarrest wordt bevestigd zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of rechtseenheid volgens artikel 81 lid 1 RO Pro.

Het beroep wordt verworpen en eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die nihil zijn begroot aan de zijde van verweerders. Het arrest is gewezen op 7 februari 2020 door de raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/00262
Datum7 februari 2020
ARREST
In de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres],
advocaat: D.Th.J. van der Klei,
tegen
1. [verweerder 1],
2. [verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/09/510070/HA ZA 16-493 van de rechtbank Den Haag van 29 juni 2016 en 7 december 2016;
de arresten in de zaak 200.206.092/01 van het gerechtshof Den Haag van 11 april 2017 en 16 oktober 2018.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof van 16 oktober 2018 beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
7 februari 2020.