Uitspraak
Uitspraak van 20 juni 2018
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,
Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg
Loop van het geding in hoger beroep
Vaststaande feiten
Oordeel van de Rechtbank
Nationale wetgeving9. Vast staat dat [belanghebbende] in 2012 in Nederland woonde en hij in 2012 nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (de Wet) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, is [belanghebbende] voor dat jaar aan te merken als Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
1. Twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen kunnen in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 vaststellen.”
(1) loonstroken van de maanden januari tot en met december 2012 van [B] S.A.; (2) jaaropgave 2012 van [B] S.A.; (3) de Rijnvaartverklaring 24 november 2008 ten name van [Y] B.V. te [A] en (4) een certificaat van Onderzoek van de Commissie van Deskundigen te Rotterdam, opgemaakt op 31 augustus 2009 door [D] . In beroep heeft [belanghebbende] het volgende overgelegd: (5) een e-mailbericht van de Luxemburgse autoriteiten aan de Sociale Verzekeringsbank van 23 februari 2016 (met een vertaling van de Sociale Verzekeringsbank) en (6) een e-mailbericht van de Sociale Verzekeringsbank van 21 april 2016 aan de Luxemburgse autoriteiten.
Belanghebbende] heeft, met al hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd, niet aannemelijk gemaakt dat het schip wordt geëxploiteerd door de te Luxemburg gevestigde vennootschap [B] SA of door een andere buiten Nederland gevestigde exploitant. De overgelegde loonstroken, jaaropgave, Rijnvaartverklaring, het certificaat en de e-mailwisseling tussen de Sociale verzekeringsbank en de Luxemburgse autoriteiten, zijn daarvoor onvoldoende. Uit de door [belanghebbende] overgelegde gegevens kan niet worden opgemaakt wie het schip in 2012 daadwerkelijk heeft geëxploiteerd en wie in 2012 beslissingsbevoegd is geweest voor het economische en commerciële management van het schip. Gelet hierop heeft [de Inspecteur] zich terecht op het standpunt gesteld dat de eigenaar van het schip [Y] B.V. als exploitant moet worden aangemerkt. Nu vaststaat dat de zetel van de onderneming van [Y] B.V. zich in Nederland bevindt, is [belanghebbende] op grond van de Rijnvarendenovereenkomst in Nederland sociaal verzekerd. [De Inspecteur] heeft dan ook terecht geen vrijstelling van premies volksverzekeringen verleend.
Het beroep van [belanghebbende] op toepassing artikel 16, derde lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar vermogen, faalt. Reeds omdat in het onderhavige geval premieheffing volksverzekeringen aan de orde is en dit verdrag daar niet op ziet (vergelijk uitspraak gerechtshof Den Haag van 22 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:791).
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Beoordeling van het hoger beroep
Proceskosten
Beslissing
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.