Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 12 december 2017
[appellant],
Pegroam B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief 1 in het principaal appelheeft bestreden. Bij de beoordeling van deze grief komt het met name aan op de vraag of het [appellant] verweten kan worden dat hij na het laten leggen van het executoriale derdenbeslag ten laste van [betrokkene 2] op 28 mei 2002 binnen vijf jaar geen nadere stuitingshandelingen heeft verricht ter voorkoming van verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis (vgl. het arrest van het hof Amsterdam van 16 november 2014, r.o. 3.5).
Bevrijdende verjaring, 1993, p. 81, maar die auteur neemt aldaar niet zelf een standpunt in (memorie na verwijzing, nr. 2.4). De verwijzing door [appellant] naar het proefschrift van Broekveldt,
Derdenbeslag, 2003, p. 600, gaat eraan voorbij dat het daar niet gaat om stuiting van de verjaring tussen beslaglegger en beslagdebiteur. Ongenoemd laat [appellant] bovendien het proefschrift van M.B. Beekhoven van den Boezem,
De dwangsom in het burgerlijk recht, 2007, die op p. 315 na bespreking van enige rechterlijke uitspraken, waaronder hof Amsterdam 22 september 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AU7785, concludeert dat niet kan worden vertrouwd op de voortdurende stuitende werking van een executoriaal beslag. De door [appellant] nog wel genoemde literatuur en rechtspraak van na 2007 acht het hof niet relevant voor de vraag of [appellant] in 2007 gerechtvaardigd heeft mogen aannemen dat het in 2002 gelegde beslag had geleid tot duurstuiting.
grief 1 in het principaal appelonderbouwt [appellant] zijn betoog dat hem geen beroepsfout kan worden verweten voorts door te verwijzen naar de procedures die Pegroam in Frankrijk tegen [betrokkene 2] heeft gevoerd en die ertoe zouden hebben geleid dat de verjaring tegen [betrokkene 2] nog in 2004 zou zijn gestuit. In dat verband heeft [appellant] het aanvankelijk ingenomen standpunt (CvA, nr. 32) dat Pegroam door het voeren van die procedures daden van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis als bedoeld in artikel 3:325 lid 2 onder Pro c BW heeft verricht, na betwisting door Pegroam niet langer gehandhaafd (memorie na verwijzing door de Hoge Raad, nr. 2.14). Volgens [appellant] hebben de procedures in Frankrijk de verjaring gestuit op grond van art. 3:317 jo Pro. art. 3:325 lid 2 onder Pro a BW en moet onder de in die artikelen bedoelde schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich zijn recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt ook worden verstaan: een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij met de aanspraak nog rekening moet houden. Bij pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] benadrukt dat er sprake was van een schriftelijke aanmaning en dat [betrokkene 2] als strekking heel goed moet hebben begrepen dat de zaak nog een staartje kreeg. Na verwijzing heeft [appellant] in dit verband verder nog gesteld de (procesinleidende) schriftelijke stukken die in de Franse procedures zijn geproduceerd, waaronder het verstekvonnis, voor [betrokkene 2] een voldoende duidelijke waarschuwing hebben ingehouden dat hij er rekening mee moest houden dat Pegroam het verstekvonnis nog steeds ten uitvoer wilde leggen, alsmede dat [betrokkene 2] in die procedures het verstekvonnis expliciet heeft erkend (Memorie na verwijzing, nr. 2.14).
aangemaandter zake van het verstekvonnis onvoldoende onderbouwd, zodat die stelling moet worden verworpen.
grief 1 in het principaal appelheeft aangevoerd ter bestrijding van het oordeel van de rechtbank dat hij een beroepsfout heeft gemaakt. Dit argument houdt in dat stuiting van de verjaring vóór het moment dat [appellant] de behandeling van het dossier had beëindigd weliswaar mogelijk was, doch niet noodzakelijk was en dat [appellant] in zoverre geen verwijt kan worden gemaakt. Het is het hof niet duidelijk waarom stuiting van de verjaring niet noodzakelijk was, nu [appellant] immers rekening ermee diende te houden dat zonder stuiting de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis op 28 mei 2007 zou verjaren, zoals ook daadwerkelijk is geschied. Ook op deze meer subsidiaire grond kan de grief derhalve niet slagen. Daarmee staat tussen partijen vast dat [appellant] een beroepsfout heeft gemaakt door na te laten zorg te dragen voor tijdige stuiting van de verjaring.
NJ2003/389). Met
grief 1 in het incidenteel beroepbetoogt Pegroam dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vraag die beantwoord dient te worden, is of en in hoeverre het verstekvonnis zonder verjaring wel op [betrokkene 2] verhaald had kunnen worden. Deze grief faalt. Het gaat in deze procedure juist wel om de door de rechtbank genoemde vraag. [appellant] is niet aansprakelijk voor bedragen die [betrokkene 2] weliswaar aan haar verschuldigd was op grond van het verstekvonnis, maar waarvoor verhaal ook zonder de beroepsfout niet mogelijk zou zijn gebleken.
grief 2 in het principaal beroepaangevoerd dat Pegroam geen verhaal zou hebben gevonden voor de vordering op [betrokkene 2], maar in dat verband heeft hij niet aangevoerd dat [betrokkene 2] erin zou zijn geslaagd in het executiegeschil tenuitvoerlegging van het verstekvonnis te doen verbieden. Ook overigens zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan met enige mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat zij tot toewijzing van zijn vordering zouden hebben geleid.
grief 2 in het principaal appelaan de orde stelt dat de rechtbank zijn causaliteitsverweer ten onrechte heeft verworpen. Uit de toelichting op deze grief leidt het hof af dat [appellant] hiermee niet heeft willen betogen dat Pegroam in de hypothetische situatie zonder beroepsfout in het geheel geen verhaal zou hebben gevonden, doch slechts dat Pegroam in dat geval geen verdergaand verhaal zou hebben gehad dan voor het in het vonnis van 25 februari 2009 toegekende bedrag van € 95.457,88 vermeerderd met rente en kosten (in het bestreden vonnis heeft de rechtbank deze bedragen per 28 mei 2007 berekend op een totaalbedrag van € 121.875,82).
grief 2 in het incidenteel beroep.
Grief 2 in het principaal appelslaagt dan ook in zoverre dat de vordering van Pegroam met betrekking tot de in r.o. 19 onder a tot en met e bedoelde bedragen niet verder kan worden toegewezen dan voor zover verhaal op [betrokkene 2] mogelijk was geweest. Voor de hierna te bespreken kosten onder f en g geldt dit niet, nu het daarbij niet gaat om kosten waarvoor het verstekvonnis een titel voor verhaal op [betrokkene 2] bood.
grief 2 in het incidenteel beroep, worden beschouwd als schade als gevolg van de beroepsfout van [appellant]. Daartegenover heeft [appellant] reeds in eerste aanleg (CvA, nr. 5.8) aangevoerd dat Pegroam die schuld kan verrekenen met haar vordering op [betrokkene 2] uit het verstekvonnis. Ter comparitie in eerste aanleg heeft Pegroam daarover opgemerkt dat [appellant] “een punt” heeft en dat de kosten mogelijk verrekenbaar zijn. Bij pleidooi na verwijzing heeft Pegroam evenwel toch staande gehouden dat de proceskostenveroordeling voor vergoeding in aanmerking komende schade vormt, aangezien weliswaar verrekening met de vordering op [betrokkene 2] mogelijk is, doch dat verrekening ook een vorm van betaling vormt.
grief 3 in het principaal appelbezwaar tegen de overweging in het bestreden vonnis dat [appellant] geen verweer heeft gevoerd tegen hetgeen [betrokkene 2] Pegroam op grond van het verstekvonnis verschuldigd is, aangezien hij zich in eerste aanleg op het standpunt had gesteld dat de wettelijke rente van vóór 2007 niet voor zijn rekening kan komen, omdat hij pas in mei 2007 een beroepsfout zou hebben gemaakt. Met
grief 4 in het principaal appelbetoogt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de periode voor 2007. Niet duidelijk is volgens hem over welke periode de rechtbank de wettelijke rente heeft berekend en niet gemotiveerd is waarom de wettelijke rente wel toewijsbaar is over de periode voor 28 mei 2007 en niet daarna.
grief 3 in het incidenteel beroepheeft de rechtbank in r.o. 4.12 ten onrechte overwogen dat de wettelijke rente wordt toegewezen tot 28 mei 2007, de datum waarop de beroepsfout is gemaakt en de schade geacht wordt te zijn geleden. Met
grief 4 in het incidenteel beroepkeert Pegroam zich tegen de overweging dat geen wettelijke rente is gevorderd vanaf 28 mei 2007 maar vanaf 25 april 2012 en dat de wettelijke rente dan ook eerst met ingang van de laatste datum wordt toegewezen. (r.o. 4.18).
grief 2 in het incidenteel beroepheeft de rechtbank ten onrechte in r.o. 4.10 overwogen dat niet meer dan € 95.457,88 met en rente en kosten kan worden toegewezen en ten onrechte in r.o. 4.17 geconcludeerd dat € 121.875,82 wordt toegewezen. In de toelichting op deze grief wijst Pegroam erop dat [betrokkene 2] extreem vermogend is, en dat hij weliswaar lange tijd verhaal heeft weten te frustreren maar dat Pegroam uiteindelijk toch een zwakke plek heeft gevonden om tot zijn vermogen door te dringen, zodat er geen goede reden is om aan te nemen dat [betrokkene 2] in de verdere toekomst buiten schot zou zijn gebleven. Nu het [appellant] is geweest die zich erop heeft beroepen dat verhaal niet mogelijk was geweest, had de rechtbank [appellant] moeten opdragen daarvan bewijs te leveren. Voor zover nodig biedt Pegroam zelf bewijs aan dat volledig verhaal op [betrokkene 2] mogelijk was geweest.
mogelijkwas geweest, maar of verhaal
daadwerkelijksuccesvol zou hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van dit laatste heeft Pegroam geen (voldoende concrete) aanknopingspunten naar voren gebracht.
Grief 2 in het incidenteel appelfaalt derhalve.
Grief 5 in het principaal appelhoudt in dat de rechtbank ten onrechte zou hebben overwogen dat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van Pegroam. [appellant] beroept zich in dit verband in de eerste plaats op de brief van 27 maart 2007 van Pegroam aan [appellant] (prod. 13 bij inleidende dagvaarding), die zodanige verwijten aan het adres van [appellant] inhield dat geen grond meer bleek voor een vruchtbare opdrachtnemer-opdrachtgever relatie. Verder wijst hij erop dat Pegroam al sinds maart 2002 op eigen initiatief met behulp van Graydon heeft getracht de vordering op [betrokkene 2] te incasseren en dat Pegroam op 27 maart 2007 de deurwaarder opdracht heeft gegeven de executie van het vonnis tegen [betrokkene 2] weer te vervolgen. Gelet op deze omstandigheden lag het volgens [appellant] vanaf dat moment niet meer op de weg van [appellant] om de executie van het verstekvonnis, inclusief de stuiting van de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging, te bewaken. Voorts hadden de opvolgende advocaten mr. Jaburg en mr. Jonen een eigen verantwoordelijkheid om de verjaring te onderzoeken.
grief 6 in het principaal appelhad de rechtbank eigen schuld moeten aannemen, en wel omdat Pegroam door het aangaan van de vaststellingsovereenkomst van 8 oktober 2009 vrijwillig afstand zou hebben gedaan van haar executiebevoegdheid.
Grief 7 in het principaal appelis een zogenoemde ‘veeggrief’ en mist zelfstandige betekenis. Deze grief faalt dan ook.