Belanghebbende maakte bezwaar tegen WOZ-beschikkingen en bijbehorende aanslagen onroerendezaakbelasting voor de jaren 2012, 2013 en 2014. De Heffingsambtenaar verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een recente machtiging, ondanks dat een machtiging uit 2013 was overgelegd. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de machtiging van 4 april 2013 geldig en doorlopend was en dat geen nieuwe machtiging nodig was. Het hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar ten onrechte de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de machtiging geacht wordt doorlopend te zijn zolang deze niet is herroepen of opgezegd. Ook het niet ontvangen van een fax met een nieuwe machtiging aan een onjuist faxnummer kon niet leiden tot niet-ontvankelijkheid.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de niet-ontvankelijkverklaring van de Heffingsambtenaar, verklaarde belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaren en droeg de Heffingsambtenaar op om opnieuw uitspraak te doen. Tevens werd de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed.